François Rabelais

Omtrent de ‘non-lecture’


Over het niet gelezen hebben van boeken die, bijvoorbeeld, wel een prominente plaats innemen in een canon, een boekenkast, of in een conversatie, in dromen misschien, gaat deze rubriek van de lezende kip. Na de inleiding volgen de bijdragen, in oplopende volgorde, in gelezen of niet gelezen...

[terug naar de lezende kip, naar entree of naar de sitemap]

Peter Boxall ed., "1001 boeken die je gelezen moet hebben" Met bijdrage van Ed van Eeden (Kerkdriel 2007) [foto monique bullinga]

Lezen of niet lezen, daar gaat het om...

Pierre Bayard, "Comment parler des livres que l'on n'a pas lus?" (Parijs 2007)  [foto monique bullinga]

1001 boeken die je gelezen moet hebben, en hoe daar vervolgens over te spreken zonder ze gelezen te hebben: dat lijkt me inleiding genoeg voor deze pagina. Bayard — want op zijn boek(-titel) ligt de nadruk — is onder andere vertaald in het Engels en het Duits; Complete Review geeft links naar vele recensies en eindigt zijn eigen bespreking met: ‘A must-read for anyone who cares about books.’
Ga voor een uitgebreide bespreking van de Nederlandse vertaling door
Piet Offermans naar recensies.
 

Gelezen of niet gelezen...

‘Het enige wat je zou kunnen zeggen is dat je twee verschillende soorten schrijvers hebt. Mensen die werken vanuit hun gevoel en hen die het voor hun werk doen. James Patterson schrijft elk jaar een boek. Ik heb er nooit een gelezen, hij is er vast goed in en hij is succesvol, maar hij heeft geen The Corrections (van Jonathan Franzen — red.) in zich.’
■ Bret Easton Ellis, in een gesprek met Robert Vuijsje, HP / De Tijd 1 oktober 2010.

♦♦♦

‘Een van zijn meest befaamde uitspraken in die tijd is: J’ai pleuré et j’ai cru, waarmee hij [...] het sterven van zijn moeder aangeeft als de reden voor zijn terugkeer tot het geloof. Chateaubriand wordt op die manier, zonder dat het boek [Le Génie du Christianisme] is gepubliceerd, steeds beroemder, in steeds breder kring. Begin eenentwintigste eeuw doet dit bijna modern aan: iedereen vindt het een magistraal boek, maar geen mens heeft het gelezen. Zoiets levert een ideale boekenkast en -kennis op: stampvol onzichtbare meesterwerken.’
Frans van Woerden, Haal ik de eeuwigheid wel? Biografie van François-René de Chateaubriand (2000), p. 83.

♦♦♦

Het onbegrip van vrienden
Een probleem waarmee elk genie te maken heeft. Na voltooiing van De kant van Swann stuurde Proust exemplaren naar zijn vrienden, van wie velen moeite leken te hebben met het openen van de envelop.
  Zo herinnerde Proust zich dat hij de aristocratische playboy Louis d’Albufera vroeg: ‘En, mijn beste Louis, heb je mijn boek gelezen?’
  ‘Je boek gelezen? Heb je een boek geschreven?’ antwoordde zijn vriend verbaasd.
  ‘Ja, dat weet je toch, Louis, ik heb je zelfs een exemplaar gestuurd.’
  ‘O, mijn kleine Marcel, als je het me hebt gestuurd, heb ik het beslist gelezen. Ik wist alleen niet zeker of ik het had ontvangen.’

[En:]

Mme Gaston de Caillavet toonde zich dankbaarder. Ze schreef de auteur een brief waarin ze hem allerhartelijkst voor zijn geschenk bedankte. ‘Ik lees telkens weer die passage in Swann over de eerste communie,’ verzekerde ze hem, ‘want ik had daarbij destijds precies hetzelfde gevoel van paniek, van ontgoocheling.’ Het was attent van Mme Gaston de Caillavet dit met hem te willen delen, al zou het misschien aardiger zijn geweest als ze de moeite had genomen het boek te lezen, want dan zou het haar zijn opgevallen dat een dergelijke godsdienstplechtigheid er helemaal niet in voorkomt.

■ Uit: Alain de Botton, Hoe Proust je leven kan veranderen (1997; 2007), pp. 68-69.

♦♦♦

broach cover brett helquist 2005

‘What is it?’ Hero asked. She lifted the cover and read the delicate black print: The Complete Works of William Shakespeare.
‘I know you must have dozens of copies at home because of your father,’ Mrs. Roth said. ‘But I thought perhaps you’d like one of your own. You shouldn’t have to wait until seventh grade to read the inspiration for your wonderful name.’
Hero hesitated. She thought of her father, how Shakespeare belonged only to him. She ruffled the thin pages, staring at the dense colums of type.
Mrs. Roth laughed at her. ‘My dear, it’s not a homework assignment. You don’t have to read the whole book. The play is very short. You’ll like it.’
‘Okay, thanks,’ said Hero reluctantly. ‘But if it’s boring, I’m probably not going to finish it.’
Mrs. Roth smiled. ‘Spoken like a true scholar of English literature.’
■ Elise Broach, Shakespeare’s Secret (2006), p. 74.

♦♦♦

‘“Gerald was behaving very oddly. Unnaturally quiet. And couldn’t wait to get rid of us.”
“What about the others?”
“Spent the whole time gushing over our visiting ‘celebrity’. What a reactionary fossil he turned out to be. Not a clue about contemporary drama. Not surprising, the stuff he churns out.”
“You don’t admire Mr. Jennings novels?”
“Never read them. Got better things to do with my time.”’
■ Caroline Graham, Written in blood (1994; 2007), pp. 107-108.

♦♦♦

‘De afgelopen maandagavond was ik in de openbare bibliotheek DOK Delft, en hoorde daar veel over de afwezige directeur: Eppo van Nispen tot Sevenaer (1946). Aimabele man, zei mij het publiek op de literaire avond. Iedereen in Delft keek er erg van op dat hij per 1 juni de nieuwe directeur van de CPNB wordt, die de Boekenweek organiseert. En waarom? “Eppo heeft nog nooit een boek gelezen. Dat beweert hij zelf, en nog lachend ook. Toen hij hier de bibliotheek opende, begon hij met hossen op de muziek van Frans Bauer.”’
■ Arjan Peters, ‘De uitvinding die Eppo heet’, de Volkskrant 26 februari 2010.

♦♦♦

Van wie heeft u het meest geleerd?
Van Hans, mijn oude buurman. Een erudiete, fijngevoelige man, te kwetsbaar voor de samenleving. Hij heeft me geleerd dat je gelukkig door het leven kunt gaan zonder alle boeken te lezen die je aanschaft. Een geruststellende gedachte.
■ Uit de wekelijkse serie vragen uit HP/De Tijd, deze keer aan Mohammed Bezakour, schrijver en columnist (5 maart 2010).

♦♦♦

‘Een snob leest niet, hij herleest.’
■ Gelezen op de alleraardigste blog maximen.nl.

♦♦♦

‘Het werk van Zamoyski verdient alle bewondering. Het enige bezwaar dat is de dikte van de boeken. Een recensent van NRC Handelsblad schreef dat Zamoyski’s boek over Napoleons fatale veldtocht naar Moskou zo meesterlijk is dat het Tolstojs Oorlog en vrede doet verbleken — waarmee hij slechts te kennen gaf dat hij een van de beide boeken die hij hier met elkaar vergeleek niet had gelezen.’
■ Bart Jan Spruyt, ‘Klaroenstoot voor Chopin’, in: HP / De Tijd 15 januari 2010.

♦♦♦

vox lezen of niet lezen

Natúúrlijk viel mijn oog op het logo in Vox van 14 januari 2010, p. 28. Lezen of niet lezen, dat is immers waar het op déze pagina allemaal om gaat. De ‘rellerige, dellerige Heleen van Royen’ is ‘toch literair’, vindt Jos Joosten, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.
vox pennetjes

Hij kent maar liefst 4 van de 5 pennetjes toe aan haar De mannentester (2009).
♦ Dit neutrale signalement riep de toorn op (best mild trouwens) van mijn geliefde. Zijn aanvulling (wat minder mild):

‘Professor Jos is niet de eerste die zich bekeerd heeft tot het literair populisme. En dat detoneert op zijn beurt weer niet in het huidige cultuurlandschap, waarin de Efteling steeds meer de maat der dingen wordt. Je kunt de zure oratio pro domo van een Connie Palmen afwijzen en toch de literaire lat op hoogte houden. In elk geval hoger dan de vaginale letterkunde van Van Rooijen of de schaamstreekbroeierigheid van Kluun. Heeft Joosten het cultureel-democratische licht gezien of hebben we hier te maken met slim opportunisme? Je zult maar hoogleraar zijn in de moderne literatuur die in hoog tempo gepopulariseerd wordt. Als straks de laatste literaire eilandjes zijn verdwenen onder de egale zeespiegel van het leesgenre pulp, wat moet je dan nog als prof in die moderne literatuur? Dichtbundels analyseren? Voor wie? Voor een lege collegezaal die je met je vier pennetjes zelf gecreëerd hebt?’
Piet Offermans, 29 januari 2010.

♦♦♦

‘Bank statements which showed regular standing orders and moderate monthly transfers from a deposit account. Barnaby put these aside. There were also a couple of holiday brochures. They checked the shelves of books (all on accountancy apart from a set of Dickens which looked as if it had never been opened, let alone read) and shook them but no sinister letter or revealing billet doux fell out.’
■ Caroline Graham, Death of a hollow man (1989; 2007), p. 242.

♦♦♦

‘[In a decree governing the custody of books by English Bendictines issued in 1070, Archbishop Lanfranc — recently arrived in Britain with the Norman conquerors — directed that every monastic librarian in the realm convoke an annual meeting in which “a document setting forth the names of the brethren who have had books during the past year” would be disclosed at an assembly:]
“and let each brother, when he hears his own name pronounced, return the book which had been entrusted to him for reading; and let him who is conscious of not having read the book through which he had received, fall dow on his face, confess his fault, and pray forgiveness.”’
Nicholas Basbanes, Patience and Fortitude. Wherein a Colourful Cast of Determined Book Collectors, Dealers, and Librarians Go About the Quixotic Task of Preserving a Legacy (2003), p. 44.

♦♦♦

‘En het ergste van alles was dat hij nooit las. Hoe welbespraakt en vrijmoedig had hij ooit met haar over literatuur gesproken. Wat had zijn liefde voor Middlemarch en Daniel Deronda hem voor haar ingenomen. En wat was het een schok geweest toen ze al snel daarna besefte dat ze de vorm voor de inhoud had aangezien: niet alleen was wat hij over die boeken zei een uit het hoofd geleerd lesje, ook zijn kennis van de literatuur was beperkt en nooit werd er een nieuwe titel aan toegevoegd. Dat was nog de zwaarste slag: hoe had ze ooit van een man kunnen houden die nooit las, terwijl de mensen die haar dierbaar waren en na aan het hart lagen allemaal woonden in de woorden van George Eliot, Woolf, Murdoch, Gaskell en Byatt?’
■ Irvin D. Yalom, De Schopenhauer-kuur. Vertaald door Hannah Jansen (2004; 2009).

♦♦♦

Maar u spreekt wel waardeoordelen uit. Waarom noemt u alleen Reve, Mulisch en Nooteboom als grote Nederlandse schrijvers en bijvoorbeeld niet Grunberg en A.F.Th van der Heijden?
Ik heb willen voorkomen dat ik mezelf opstel als een literair criticus die de scepter zwaait over het landschap van de Nederlandse literatuur, waarvan ik zelf deel uitmaak. Dus ik heb alleen de door de canon en de geschiedenis geijkte schrijvers genoemd, om te vermijden dat er een discussie ontstaat in de trant van: Palmen maakt gehakt van bepaalde auteurs.

Dat doet u anders wel met Anton Coolen, die u als hét voorbeeld van kitsch aanhaalt. Maar diens ‘Dorp aan de rivier’ is een prachtig boek. Heeft u het gelezen?
Misschien vroeger, maar het kan heel goed dat ik een vergissing heb gemaakt. U rekent Dorp aan de rivier tot de hoge literatuur?

Coolen onderzoekt bestaande ficties, stelt zich op als emigrant en verwoordt de eenzaamheid die daar het gevolg van is. Hij is origineel, subversief en neemt de clichés van een afgekloven genre, de streekroman, op de hak.
Als er een tweede druk komt van mijn boek zal ik Anton Coolen vervangen door Konsalik.

■ Elsbeth Etty in gesprek met Connie Palmen, NRC 5 december 2009.

♦♦♦

‘Mijn vriendin is vermoedelijk de enige die ik ken die Tristram Shandy niet alleen gelezen maar ook herlezen heeft [...].’
■ Sarah Hart, ‘Schaduwboeken’, Vrij Nederland 24 juli 1999.

♦♦♦

‘Wij classici hebben een heel aparte verhouding met ongelezen boeken. In je hele opleiding lees je enorm veel van de meest uiteenlopende auteurs, maar zelden een werk in zijn geheel van kaft tot kaft. Hoewel classici nooit iets doen om de indruk te ontkrachten dat ze de gehele antieke literatuur hebben gelezen, bestaat hun belezenheid meestal uit fragmenten van selecties van highlights. Na de studie Nederlands biedt de studie klassieke talen de best denkbare opleiding in het spreken over boeken die je nooit hebt gelezen.’
Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Een echte onbelezene’, NRC 20 december 2002. 2002. Dit schreef Pfeijffer dus vijf jaar vóór de verschijning van Bayards Comment parler des livres que l’on n’a pas lus? (zie recensies)! Een duidelijk geval van Plagiat par anticipation, zoals de laatste titel (2009) van Bayard luidt.

♦♦♦

barnes ambaum claim

 Deze aardige boekencomic, overgenomen met toestemming van de makers (copyright Bill Barnes & Gene Ambaum Unshelved.com), is van 7 augustus 2009
— kijk op hun website voor meer strips.

♦♦♦

‘Les editions des Essais de Montaigne ne manquent pas. Mais qu'elles soient “savantes” ou qu'elles se prétendent “grand public”, elles n’offrent pourtant que le texte original, plus ou moins “toiletté”, et force est de constater que les Essais, tant commentés, sont pourtant rarement lus... ‘
■ Guy de Pernon (pseudoniem van Guy Jacquesson ), in zijn voorwoord bij de digitale Montaigne, door hem in modern Frans vertaald. Lees verder op montaigne (zoek: Pernon).

♦♦♦

‘Ik pakte De man zonder eigenschappen op, bladerde erin, las een paar bladzijden, en legde het weer op zijn plaats. Dat doe ik nu al jaren. Eigenlijk altijd. Met Musil en vooral met Ulysses van Joyce.
Iedere keer confronteer ik mezelf met mijn onwetendheid en zeg ik tegen mezelf dat ik die boeken zou moeten lezen. En iedere keer kan ik me er niet eens toe brengen om ze te kopen.
Ik denk dat ik nooit uit de eerste hand kennis zal nemen van de avonturen — als je dat al kunt zeggen — van Stephen Dedalus, Leopold Bloom en Ulrich. Ik heb me erbij neergelegd, maar in de boekwinkels blijf ik in die romans bladeren, zomaar, als een soort ritueel van de onvolmaaktheid. De mijne.’
Gianfrico Carofiglio, Gerede twijfel (2009), p. 116.

♦♦♦

‘I was constantly harassed by my students at night school, many of whom were cops who failed to see the virtues of Beowulf or Dylan Thomas. I was widely disliked because idealist that I then was — I expected the students to read their assignments. Since few did, I sometimes resorted to reading the assigned text aloud. This was not welcome because it was soporific. Generally about half of my class fell dead asleep.’
Larry McMurtry, Books: A Memoir (2008), p. 38.

♦♦♦

hitchings 2008

Dat is lef hebben... En dan eigenlijk alleen maar een veredeld soort samenvattingenboek schrijven. Hij komt niet in de búúrt van Bayard.

♦♦♦

‘Eerst een bekentenis: het boek van Fasseur over Juliana en Bernhard heb ik nog niet gelezen. Maar ik heb er de laatste tijd zo veel over gelezen — niet alleen recensies, maar ook min of meer polemische reacties —, bovendien heb ik Fasseur er een paar keer over horen spreken, de eerste keer bij de presentatie van zijn boek op 11 november, dat ik meen tot een samenvattende conclusie te kunnen komen.’
■ J.L. Heldring, ‘Juliana, Bernhard en de staatsraison’, NRC 27 november 2008. ■ In deze korte alinea ligt een samenvatting van Bayards boek besloten. Mooier kan het niet.

♦♦♦

‘Ik ploeterde door de eerste hoofdstukken, raakte vast en begon welwillend opnieuw: misschien moest ik nog aan het boek wennen, het juiste tempo vinden, me de nieuwe leesconventies eigen maken die zo’n ambitieus boek kennelijk van zijn lezers eiste?

Tot ik een vrolijke bespreking vond, geschreven door de Engelse dichter en vertaler Michael Hofmann, onder de bitse titel “Proust? Ha!” Hofmann noemde Nádas’ roman een “bastaardkind van romantische schlock en verwaterd modernisme”. Had hij de roman niet moeten recenseren, schreef hij, dan was er geen moment in de roman geweest waarop hij er niet liever de brui aan had gegeven. “Ik hunkerde ernaar het niet te hoeven lezen. Ik had willen ophouden na één pagina, na vijf pagina’s, na 705 pagina’s. Mijn gekrabbel in de marge werd steeds venijniger en obscener, voordat het ten slotte helemaal opdroogde en ik weggleed in apathie.”’

■ Eddy Bertens, ‘Het welwillendheidsprincipe’, De Leeswolf 14 (2008) 4. De roman die zowel Hofmann als Bertens niet te verteren vindt is het door ‘de kritiek’ bejubelde Het boek der herinneringen van de Hongaarse schrijver Peter Nádas. Hij werd vergeleken met Proust, Mann en Musil.

♦♦♦

boekengezicht [ maker onbekend]

‘Just because you don’t enjoy reading a good book, doesn’t mean there aren’t many other uses for all of those books piled up in the attic.’
Op deze site is te zien wat je allemaal met boeken kunt doen als je ze niet leest.
(Tip van Jaap Engelsman)

♦♦♦

‘Onderzoek heeft aangetoond dat we van snel denken blij worden. Dat is goed nieuws. Ik had altijd al bezwaren tegen langzaam denken. Minutenlang zitten wachten tot iemand anders eindelijk heeft bedacht wat-ie gaat zeggen — onaanvaardbaar. Zelf langzaam denken, niet te harden. Alsof er een tik in je plaat zit.
[...]
Zeker is [...] dat langzaam lezen tot somberheid leidt. Dat gevoel had ik al, en daarom zijn er veel boeken die ik niet lees. Aan het omslag, de titel en de omvang zie je al dat het langzaam lezen wordt — en dus somberen. Daar ga ik mijn goeie geld niet aan uitgeven.’
■ Martin Bril, ‘Snelheid’, Volkskrant Magazine 1 november 2008.

‘Het manuscript lag voltooid in mijn kamer in een la, een blauw lint was eromheen gestrikt. In een opwelling besloot ik nu dit werk mijn vader voor te leggen. Naar zijn slaapkamer voerde een aparte trap en ik zie mij nog die treden opgaan, het pakje in mijn hand, in een soort blinde vertwijfeling, want verwachten deed ik hiervan niets. Ik opende de deur en daar lag hij. Over de bovenste rand van het boek dat hij las bleven zijn ogen op mij rusten. Ik zei dat ik iets geschreven had en of hij het lezen wilde. Hij antwoordde niet, maar beduidde mij met een knik dat ik het aan het voeteneind kon neerleggen. Ik bleef een ogenblik staan, maar hij las alweer. Enkele dagen later trof ik het manuscript op mijn bureau weer aan, het blauwe lint er nog omheen. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Geen woord.’
■ Godfried Bomans, over zijn officiële debuut Pieter Bas, geciteerd in: Martin van Amerongen, Mijn leven zijn leven. Over biografieën, autobiografieën, hagiografieën en anti-biografieën (1993). Als het waar is, is het wreed.

♦♦♦

boekendoos engelsman

In de ‘lectuurdoos’ van Jaap Engelsman ‘zit een selectie van boeken waarin ik nu lees of die ik graag zou willen lezen. Onmogelijk, natuurlijk...’
Kijk hier voor informatie over het boek met de blanco rug, dat als titel heeft: De wondere wereld van De Althaea Pers: bijzonder vormgegeven boekjes van Jos Swiers.

♦♦♦

‘Er wordt wel eens gedacht dat iedereen het boek Don Quichot van Cervantes kent. Dat valt knap tegen. Deze morgen nog vroeg ik aan vijf mensen: “Ken jij Don Quichot van Cervantes?” De stukadoor die in mijn huis bezig is, antwoordde: “Nee, jij wel?” De postbode zei: “Cervantes en al die dingen, daar houd ik me niet mee bezig.” De uitbater van de sigarettenwinkel vertrouwde me toe: “Ik lees alleen boeken over auto’s.” M’n grootmoeder zei: “Zo meteen een Quichot tegen je smoel, onnozelaar.”
[...]
En als mensen Don Quichot van Cervantes al kennen, dan hebben ze het negen kansen op tien niet gelezen. Vaak geven ze dat niet toe. Het is nu eenmaal bon ton onder intellectuelen om te laten doorschemeren dat ze zo ongeveer de hele wereldliteratuur tot zich genomen hebben. Dostojevski? Twaalf boeken van die gozer gelezen! James Joyce? Ik heb Ulysses ooit nog uit mijn hoofd gekend! Umberto Eco? De slinger van Foucault is zo ongeveer m’n bijbel! Thomas Mann? Die heeft me meer beïnvloed dan m’n moeder en m’n vader samen! Cervantes? Don Quichot laat me lachen, huilen en nadenken tegelijk!’

brusselmans foto peter ijsenbrant 2007

■ Herman Brusselmans, ‘De don als leermeester in de liefde’, in: Een klap van de molenwiek. Hoe Don Quichot naar de Lage Landen kwam (2005). Ingestuurd door Peter IJsenbrant, die ook de foto van de auteur maakte, toen deze in 2007 de manifestatie ‘Boeken rond het paleis’ opluisterde.

♦♦♦

‘Rabelais est une référence pour tous. Mais peu l’ont réellement lu. [...] A défaut d’avoir lu Rabelais, vous pourrez l’avoir entendu!’
■ Gelezen op les allumés du jazz.

♦♦♦

‘Eerlijk is eerlijk, Erasmus wordt in onze tijd meer bestudeerd dan gelezen. [...] Hoeveel leraren beginnen over hem, lezen hem voor, laten hem op lijsten zetten?’
■ Barber van de Pol, Lieve Erasmus, verkeren met een denker (2002), p. 42.

♦♦♦

Germaine Greer haalde op 19 juli 2008 de NRC en daarmee deze keer ook deze pagina. Ze is boos, en wel op Joanna Murray-Smith, schrijfster van The Female of the Species. In deze komedie, die de week daarvoor in Londen in première is gegaan, komt een figuur voor die wel erg veel op Greer lijkt. ‘Zonder het stuk te hebben gezien of de tekst te hebben willen lezen fulmineerde Greer tegenover Britse kranten dat Murray-Smith “een krankzinnige reactionair” is.’ Aldus Floris van Straaten, correspondent te Londen.

♦♦♦

‘[...] in dat lange tussenstuk [wordt] een spannend maar juridisch aandoend steekspel opgevoerd en, zoals de lezers weten: juridica non leguntur. Ze worden niet gelezen door niet-juristen omdat ze, zoal niet saai dan toch wel onbegrijpelijk zijn. Maar ook juristen zelf lezen ze niet, maar zoeken hoogstens voor hun zaak de belangrijke passages op.’

Over Nabokov had ik lange tijd meer gelezen dan van hem, iets wat bij mij en naar ik vrees ook wel bij anderen een kwaal aan het worden is die steeds ernstiger vormen aanneemt al naar gelang de supplementen van de kranten zich uitbreiden.
[...] Ik had eerlijk gezegd zonder het gelezen te hebben een hekel aan zijn beroemde boek Lolita. Regelmatig hoor je van mensen die boeken uit de handel, films uit de roulatie of beide op de brandstapel willen, omdat ze zo bar onzedelijk zijn. Meestal geven die mensen toe, dat ze die boeken niet gelezen, die films niet gezien hebben. [...] ze hadden er over gelezen en dat was voor hen genoeg.

■ Jan Leijten, De glorie van het recht (2008).

♦♦♦

‘[het] nichtje van Pascal, Marguérite Périer, die hem een interview afnam, in de tijd dat dat nog ongebruikelijk was, tekende uit zijn mond deze onsterfelijke verklaring op: Je vraagt mij of ik zelf wel al die boeken heb gelezen waaruit ik heb geciteerd. Mijn antwoord is: nee, want anders zou ik mijn hele leven hebben moeten besteden aan het lezen van bar slechte boeken.
■ Jan Leijten, De glorie van het recht (2008) (zie ook in geschrifte nr. 12, ‘Rabelais en het bemiddelend vonnis’).

Toch is het niet zo erg als het lijkt:

‘On me demande si j'ai lu moi-même tous les livres que je cite. — Je réponds que non: certainement, il aurait fallu que j'eusse passé ma vie à lire de très mauvais livres; mais j'ai lus deux fois Escobar tout entier; et, pour les autres, je les ai fait lire par mes amis; mais je n'en ai pas employé un seul passage sans l'avoir lu moi-même dans le livre cité, et sans avoir examiné la matière sur laquelle il est avancé, et sans avoir lu ce qui précède et ce qui suit, pour ne point hasarder de citer une objection pour une réponse, ce qui aurait été reprochable et injuste. (Rapporté par Marguerite Périer.)'
■ ‘Propos attribués à Pascal’, in: Pascal, Oeuvres complètes. Présentation et notes de Louis Lafuma (1963). Ook hier geen bronvermelding anders dan dat de anekdote genoteerd is door Marguerite, dochter van zijn oudste zus Françoise Gilberte.

♦♦♦

Kees Fens bespreekt Alan Bennets De ongewone lezer (de Volkskrant 4 april 2008), waarvoor Pieter Steinz een voorwoord heeft geschreven. De recensie eindigt met de volgende woorden:

‘Aan zoveel luchtigheid de zwaarwichtigheid van een voorwoord mee te geven, is heel curieus. Het meest curieuze is overigens dat Steinz, die van beroep leesadviseur en verbandenlegger is, de koningin van Nederland een lijst van noodzakelijke lectuur meent te moeten voorleggen. Ik vind dat het meest komische onderdeel van het boekje. Ze moet van meester Steinz onder andere de Nederlandse Historiën van Hooft lezen, — ik vraag mij af of Steinz zelf dat werk in zijn geheel gelezen heeft, anders had hij wel troonsafstand als voorwaarde ingebouwd.’

♦♦♦

‘Many of the 200,000 books in the tower have barely been read and some were never opened, but now they give us a fascinating insight into the life and society of the time.’
■ Aldus Vanessa Lacey, manager of the Cambridge University Library Tower Project.

♦♦♦

gingerich 2004

Een eerste druk uit 1543 van ‘the book nobody read’ is op 17 juni 2008 bij Christies verkocht voor 2.210.500 dollar. Gelezen of niet, Copernicus’ De revolutionibus orbium coelestium, libri V is volgens een door het veilinghuis aangehaald citaat ‘the most important scientific publication of the 16th century and a “landmark in human thought”.’ Zie ook het bericht op boekendingen, de mooie boekensite van Hans van den Bergh.

♦♦♦

‘Hij had een gelijke bewondering voor Voltaire en Rousseau, die zich in zijn bibliotheek bevonden, die hij niet had gelezen en ook niet zou hebben begrepen.’
■ Gustave Flaubert, De eerste leerschool der liefde (1969), p. 166.

♦♦♦

Willem G. van Maanen heeft de AKO-Literatuurprijs 2007 niet gewonnen. Maar hij is al heel tevreden dat zijn nominatie een tweede druk betekende voor Heb lief en zie niet om, ‘het nieuwste boek van de 87-jarige auteur van het rijmpje “ik wordt veel geprezen, maar niet gelezen”’ (de Volkskrant 5 november 2007).

♦♦♦

copyright paul kusters toos en henk 20 10 07

♦♦♦

‘Het leven is kort, de boekenberg is hoog, vrije tijd is schaars. Geen wonder dat de gemiddelde lezer regelmatig strandt in een roman waaraan hij met veel enthousiasme begonnen is. I know I do. Een paar jaar geleden, toepasselijk genoeg bij het wisselen van de millennia, nam ik mij dan ook voor om binnen een jaar alle boeken van het (denkbeeldige) plankje halfgenoten meesterwerken uit te lezen. [...] De hernieuwde kennismaking met de onuitgelezen klassieken beviel zo goed dat ik besloot om ook een aantal wél uitgelezen maar inmiddels halfvergeten favoriete romans te gaan herlezen [...].
■ Pieter Steinz, ‘De bibliotheek als dubbelganger. Woord vooraf’, in: Alberto Manguel, Dagboek van een lezer (2004).

♦♦♦

‘Even leek het erop dat Les Murray, de dikke Australische dichter met zijn brede zangerige poëzie, de Nobelprijs zou krijgen. Daarom haalde ik zijn grote werk Fredy Neptune uit de kast, in de mooie vertaling van Peter Bergsma, en vroeg me af of ik het ooit echt gelezen had of het alleen maar had “aangelezen” zoals een vriend dat treffend noemt. Moest wel dat laatste zijn dacht ik nog vaag voordat ik pijlsnel in dit dichtwerk verdween en pas drie uur later voor het eerst boven kwam — nog niet eens op de helft.’
■ Marjoleine de Vos, ‘Ze hebben me nooit wat gedaan!’, NRC 15 oktober 2007.

♦♦♦

‘Iedereen weet hoe de edelman [Don Quichot] eruitziet, maar worden zijn avonturen nog wel gelezen? Nou, reken maar. Vraag een Spaanse politicus welk boek op zijn nachtkastje ligt en hij antwoordt zonder blikken of blozen: El Quijote. Welk boek neemt de voetbalcoach mee naar het trainingskamp? De Quijote. Wat heeft de laatste maanden de meeste indruk gemaakt op de televisiepresentator? Herlezing van de Quijote. Je maakt wel een erg domme en ongeciviliseerde indruk als je hardop durft te zeggen dat je het niet gelezen hebt.’
■ Cees Zoon, ‘Gek van een oude anarchist’, de Volkskrant 28 januari 2005.

♦♦♦

‘Het valt me op hoe vaak iemand in gezelschap een boektitel noemt, waarna alle andere aanwezigen knikken, terwijl vaststaat dat de helft dat boek niet kent. De verklaring ligt voor de hand: er is sprake van bereidwilligheid of vage herkenning en de jaknikkers zoeken al luisterend naar aanknopingspunten. De Quijote is een overbekend boek, maar ik denk dat de meesten als ik erover begin, hoe er ook geknikt wordt, alleen de titelheld kennen, misschien wel zonder te weten dat hij uit een boek komt. Geletterden zullen daarenboven een paar gevleugelde woorden uit het boek kennen en allicht de naam van de schrijver: Cervantes. En waarschijnlijk is er ook in Nederland een groep lezers voor wie de Quijote het boek der boeken is.’
Barber van de Pol, ‘De erfenis van de vertaler’ (1994), in: idem, Cervantes & co. In plaats van voetnoten. Essays (2000).

♦♦♦

Op de website van uitgeverij athenaeum is een nieuwe canon te bekijken, samengesteld door een jury die bestaat uit Hella Haasse, Kristien Hemmerechts, Maarten Asscher, Kees Fens, Piet Gerbrandy en Arnon Grunberg. (Zucht. Of: terzijde. Waarom verrast zo’n rijtje namen toch nooit?) Voor de Perpetua-reeks, want hierin worden de boeken opnieuw uitgegeven, zijn 80 titels al uitgekozen; uit de lijst van nog eens 30 titels mag ‘het publiek’ een keuze maken. Waarom dit item op deze plaats? Omdat de jury in haar oneindige wijsheid besloten heeft de Illusions perdues van Balzac op te nemen.

♦♦♦

‘Het is niet meer vanzelfsprekend dat grote titels en auteurs op school voorbij komen. Twintig, dertig jaar geleden was dat wel zo: ook al had je nooit iets van Flaubert gelezen, je wist dat hij een belangrijke auteur was. Dat idee van een gemeenschappelijke imaginaire bibliotheek is grotendeels verloren gegaan.’
■ Naadloos aansluitend bij Bayards Comment parler enz. Aan het woord Henk Pröpper, in de Volkskrant 28 september 2007. Uit hetzelfde artikel van Aleid Truiens, ‘Honderd maal eeuwigheid’, nog een citaat: ‘Multatuli schreef ooit over Chateaubriand: die man is zó klassiek, dat ik hem niet meer hoef te lezen.’

♦♦♦

‘De bibliofiel leidt een deerniswekkend bestaan. Geen sprank hoop dringt ooit in zijn leven door. Hij is een toonbeeld van geestelijke stilstand. Hij leest nooit eens een boek. Want lezen houdt maar af van kopen.’
■ Gerrit Komrij, ‘Bibliofilie’, in: idem, Verzonken boeken (1986). Ook te lezen in de digitale bibliotheek voor de nederlandse letteren.

♦♦♦

‘U schrijft in uw nieuwe boek onder meer verontwaardigd over literatuur die de natuurwetenschap verkeerd aanhaalt?’
‘Als Harry Mulisch beweert dat de wereld naar de verdommenis gaat, omdat volgens de natuurkunde alles in chaos eindigt. Daar erger ik me aan ja. Of Michael Crichton die de plank misslaat.’
‘Maar dat is, met alle respect, toch maar literatuur?’
Maar? Literatuur en fictie zijn echt enorm belangrijke elementen van onze cultuur. Ze geven schoonheid en troost, zoals Wim Kayzer dat destijds noemde, in een wereld die helemaal zo prettig niet is. En ze bieden je de kans vele levens te leiden in de tijd van één. Lezers lenen andermans ervaringen. Ze zijn tegen veel meer opgewassen dan niet-lezers. Maar dan moet het natuurlijk wel een beetje kloppen wat er staat.’
■ Martijn van Calmthout in gesprek met fysicus Frans Saris, ‘De natuurkunde is voorbij’, de Volkskrant 1 september 2007.

♦♦♦

‘Hoe in een handomdraai te leren spreken over boeken die je niet gelezen hebt’. Zo zou de titel kunnen luiden van hfst. 6, ‘A note on litmanship’, in Stephen Potters One-upmanship enz. (1952). Jaap Engelsman draagt zijn steentje bij aan de ontlezing en stuurde ons de hilarische handleiding, hier te lezen [!].

♦♦♦

Monsieur de Saintot, nommé Astolphe, le Président de la Société d’Agriculture, homme haut en couleur, grand et gros [...] Astolphe passait pour être un savant du premier ordre. Ignorant comme une carpe, il n’en avait pas moins écrit les articles Sucre et Eau-de-vie dans un Dictionnaire d’agriculture, deux oeuvres pillées en détail dans tous les articles des journeaux et dans tous les anciens ouvrages où il était question de ces deux produits. Tout le Département le croyait occupé d’un Traité sur la culture moderne. Quoiqu’il restât enfermé pendant toute la matinée dans son cabinet, il n’avait pas encore écrit deux pages depuis douze ans. Si quelqu’un venait le voir, il se laissait surprendre brouillant des papiers, cherchant une note égarée ou taillant sa plume; mais il employait en niaiseries tout le temps qu’il demeurait dans son cabinet: il y lisait longuement le journal, il sculptait des bouchons avec son canif, il traçait des dessins fantastiques sur son gardemain, il feuilletait Cicéron pour y prendre à la volée une phrase ou des passages dont le sens pouvait s’appliquer aux événements du jour; puis le soir il s’efforçait d’amener la conversation sur un sujet qui lui permît de dire: — Il se trouve dans Cicéron une page qui semble avoir été écrit pour ce qui se passe de nos jours. Il récitait alors son passage au grand étonnement des auditeurs, qui se redisaient entre eux: — Vraiment Astolphe est un puits de science.’
■ Aldus een van de karakters die Balzac beschrijft in zijn Illusions perdues (1837-1843). Typisch een geval van pedante ‘non-lecture’. Bij Uitgeverij Van Oorschot verscheen in 2004 een vertaling door Jan Versteeg van Balzacs chef-d’oeuvre; deze was uitverkocht, maar inmiddels (november 2008) is er een herdruk verschenen.

♦♦♦

deventer uithangbord  [foto monique bullinga 2007]

♦♦♦

Gehoord: ‘Ik vind De ondraaglijke lichtheid van het bestaan zo’n mooie titel dat ik het boek ook mooi vind, al heb ik het niet gelezen.’

♦♦♦

Uit welke roman komt de volgende beroemde openingszin: ‘It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of a good fortune must be in want of a wife’? ■ Omdat ik het boek in kwestie niet zo lang geleden — eindelijk! — las, kon ik het antwoord nog uit mijn geheugen opdiepen. Mocht ú het niet weten bevindt u zich in goed gezelschap. Dirk Leyman verhaalt in zijn blog van 19 juli 2007 van een wel vaker uitgehaalde truc: stuur, onder een gefingeerde naam, een manuscript met fragmenten uit een klassieker naar een uitgever en wacht de reacties af. De uitkomst mag bekend worden verondersteld. Het artikel dat de papieren man samenvat is te lezen in the guardian. ■ O ja, het antwoord op de vraag:

pride and prejudice

Behalve door Paul Depondt in de Volkskrant (10 maart 2007) is Comment parler des livres que l’on n’a pas lus (zie boven) nu ook in de NRC besproken (13 juli 2007). Margot Dijkgraaf schreef een korte recensie van dit prachtige boek onder de titel ‘Boeken zijn om in te snuffelen’. Zij haalt jammer genoeg wat weinig van Bayards fraaie voorbeelden aan, en eindigt met een conclusie die ik niet deel: ‘Dit is geen boek om te lezen. Je moet het doorbladeren, er een recensie over lezen, hoogstens even in kijken.’ Als je dít boek niet leest weet je werkelijk niet waar je het over hebt. ■ Overigens toont Dijkgraaf aan het boek wel gelezen te hebben, getuige de laatste zin van haar bespreking: ‘En daarna vergeet je het vanzelf.’ Dat is precies wat Bayard onder veel meer betoogt: op hetzelfde moment dat je begint met lezen begin je het gelezene te vergeten. Geeft niet, komt er weer ruimte in de bovenkamer voor andere boeken. ■ Frank Wagner schreef een zeer uitgebreide recensie van Bayards boek, te lezen op vox poetica. Eerder al had hij de auteur een interview afgenomen naar aanleiding van diens boek Demain est écrit (2005). Bayard, psychoanaliticus en werkzaam aan de Universiteit van Parijs, ‘s’interroge sur les capacités de la littérature à prédire l’avenir, et explore, avec autant d’humour que de rigueur, les implications épistémologiques de ce nouveau paradoxe.’ ■ Lees ook de bespreking door Piet Offermans in recensies.

♦♦♦

‘Whatever had possessed her to tell Lily that Wuthering Heights was one of her favorite novels? Favorite titles, maybe, since that was about as far as she’d ever gotten with the damn book.’
■ Joy Fielding, Mad River Road (2006), p. 145.

♦♦♦

‘Legendarische boeken worden zelden of nooit gelezen. Ze staan op de schappen van de bibliotheek. [...] Velen kennen Gavroche, maar weinigen hebben Victor Hugo’s Les Misérables ook gelezen. Don Quichot, Don Juan en zelfs de door de duivel besjoemelde Faust kennen we uit films of latere bewerkingen. Tijl Uilenspiegel, bijgestaan door zijn goedmoedige vriend Lamme Goedzak, maakt weliswaar deel uit van onze letterkundige canon, maar wie heeft La légende et les avontures héroïques, joyeuses et glorieuses d’Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au pays de Flandres et ailleurs van Charles De Coster helemaal uitgelezen?’
■ Paul Depondt, in een bespreking van de opnieuw uitgegeven vertaling die Theun de Vries in 1947 van Costers boek maakte, in: de Volkskrant 15 juni 2007.

♦♦♦

‘Iedereen kent hem, bijna iedereen heeft hem, en behalve de auteur en Michaël Zeeman heeft niemand hem gelezen: de Ulysses van James Joyce. [...] De Ulysses dus. Onleesbaar boek.’
■ Bard van de Weijer, ‘Boeklogboek’, de Volkskrant 20 april 2004. (Zie ook James Joyce).

♦♦♦

‘Niet dat ik nou zo’n groot bewonderaar ben van Goethe... Hoewel, ik ben waarschijnlijk een van de weinigen die hem ook écht gelezen heeft.’
■ Rudy Kousbroek, geïnterviewd door Emma Brunt voor HP/De Tijd 6 april 2007,
p. 56.

♦♦♦

‘Gerbrand Bakkers] ervaringen als schrijver on the road boekstaafde hij in een bijdrage aan En toen viel ik van het podium [...] Daarin beschrijft hij dat zijn lezerspubliek vermoedde dat hij sterk door Nescio was beïnvloed, maar dat hij moest bekennen dat hij nog nooit iest van deze schrijver had gelezen. Van bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden of Jeroen Brouwers kent hij ook geen enkel boek. “Dan gaat er een golf van verontwaardiging door de zaal,” zegt hij. “Maar dan kan ik natuurlijk net zo goed terugvragen of ze weleens iets van Raymond Carver, Carson McCullers of Fredrick Rolfe hebben gelezen. Ach, het is juist heel verfrissend, dat je door dingen niet te lezen een heel eigen toon kunt vinden.”’
■ Gerbrand Bakker, schrijver van Boven is het stil, in: HP/De Tijd 16 maart 2007,
p. 66.

♦♦♦

‘In de literatuur, de kunst, wordt vaak vergeten dat het allemaal bedoeld is voor een heel kleine kring. Datzelfde groepje zie je overal: bij de boekpresentaties en andere gezelligheid. Slechts een iets groter geroepje leest de boekenbijlagen. Die worden niet gelezen door vrijwel iedereen die in de tram zit.’
■ Cees Nooteboom, in: HP/De Tijd 20 april 2007, p. 61.
 

[omhoog, terug naar de lezende kip of naar entree]