|
Un motet...
NB De volgorde van de muziekstukken op de cd is, terwille van een zekere afwisseling, een andere dan die in het artikel. De plaats die het nummer op de cd heeft gekregen staat achter de titel (in de tekst) vermeld; tussen vierkante haken de titel zoals hij bij Rabelais voorkomt met de pagina in de editie-Huchon (1994). [terug naar multimedia, naar entree of naar de sitemap] De Rabelais-cd: De profundis ‘“Chantons beuvons. Un motet. Entonnons.” door Piet Offermans Er zit muziek in Rabelais. Indoor en outdoor wordt heel wat afgezopen en het historisch cliché wil dat daarbij gezongen wordt. We worden meteen bij de aanvang van het verhaal al in dit idee bevestigd als Grandgousier en de zwangere Gargamelle een tuinfeestje voor de buurt geven in de wilgenwei en [...] daar, op het dichte gras, dansten ze bij de klanken van de vrolijke fluit en de zoetklinkende doedelzak, en ze hadden zo’n plezier, dat het een hemels genoegen was om te zien hoe ze zich vermaakten. (I,4,52) Je verwacht dus dat op honderden plaatsen in evenzovele verhalen de fluiten en doedelzakken uit de kast komen, de trom geroerd wordt, de klokken geluid en, in langzaam afnemende kwaliteit, eenstemmig of polyfoon de lof van wijn en wijf gezongen wordt. Dat valt tegen. Er zijn weliswaar vele verwijzingen naar muziek-instrumenten, liederen en dansen, maar het gaat daarbij veelal om literaire metaforen en niet om de muziek(-beoefening) zelf. Analoog aan dit gegeven is de magere oogst aan literatuur over muziek in het werk van Rabelais. Bovendien valt in deze paar geschriften de frequente aanwezigheid van ‘probably’ en ‘perhaps’ meteen op. Afgezien van de paar in de noot genoemde titels is er in de Nederlandse bibliotheken nauwelijks iets over te vinden. De publicaties van Jacques Barbier, verbonden aan de Université de François Rabelais in Tours en specialist in de muziek van de Renaissance, zijn bijvoorbeeld niet in te zien. (Het wel aanwezige Music in Gargantua and Pantagruel van T.C. MacMasters (1993) kreeg ik helaas te laat onder ogen om er nog gebruik van te kunnen maken.) Toch zit er muziek in Rabelais, en wel door de waarde die deze humanist aan muziek en muzikale opleiding toekent. Die waarde wordt een enkele keer openlijk beleden, maar meestal zit ze opgesloten in raadselachtige opsommingen of in dubbel-zinnigheden, waarover straks meer. Maar dat die waardering er was is evident. Daarom hier eerst een klein exposé over de ontwikkeling van de muziek van de Oudheid tot de Renaissance en het sociale en creatieve belang dat aan muzikale ontwikkeling werd gehecht. Vooraf nog dit. Muziek moet je horen. In het grootste deel van onze beschavings-geschiedenis kón je er alleen maar naar luisteren want muziekannotatie bestond niet of was geheimschrift voor ingewijden. En zelfs nu is de interpretatie van opgeschreven muziek uit vroeger eeuwen (waar de zestiende bij hoort) een hachelijke zaak. Een uitvoering van een vijftiende- of zestiende-eeuws motet lijkt waarschijnlijk wel op wat de zangers toen ten gehore brachten. Maar hoe voor Rabelais een begeleid polyfoon chanson van zijn leeftijdgenoot Nicolas Gombert (ca. 1500- ca.1556) klonk weten we niet precies. Desondanks vonden de redacteur van Faicts & Dicts en ik dat in deze bijdrage over muziek in de verhalen van Rabelais ook iets te horen moest zijn. Daarom is de bijgeleverde cd met (grotendeels) chansons die in de boeken zelf genoemd worden of aan andere genoemde muziekstukken verwant zijn, een integraal onderdeel van mijn verhaal.
Van het gregoriaans naar de polyfonie In Hellas was muziek wezenlijk meer dan het domein van een der muzen; ze was de Muze zelf, vandaar de naam. Het gevolg was dat muziek aanwezig was in vrijwel alle aspecten van de cultuur, maar ook dat muziektheoretici en filosofen zich driftig bezighielden met aard en gevolgen van deze menselijke uiting. Zo beschouwde de school van Pythagoras muziek als een vorm van mathematiek. Toonintervallen waren gebaseerd op getalsverhoudingen; aan dit idee hebben we een muziek-vocabulair overgehouden (kwart, kwint). Sterker nog: er bestond een directe relatie tussen zaken als klanken en ritmen, en het universum, zodat het begrip harmonie der sferen letterlijk een muzikale betekenis had. Deze mathematische opvatting van muziek vinden we in de Middeleeuwen en daarna terug in de indeling van de muziek bij het quadrivium van de zeven vrije kunsten. Plato, van wie de mythe van de muziek der sferen afkomstig is, baseerde op het idee van de mathematisch muzikale ordening van de kosmos ook een leer van de ethische macht van de muziek. Zij was direct van invloed op het karakter en het gedrag van mensen. Aristoteles legde vervolgens een verband tussen de verschillende modi, muziektoonsoorten, en het menselijk gedrag. Bijvoorbeeld: muziek maakte je of verwijfd of Man. In elk geval bestond er goede en slechte muziek, en de verfijnd-versierde was een voorbeeld van de tweede soort. Afblijven dus. Ook op dit gebied hebben de middeleeuwse denkers de Griekse filosofen ijverig nagevolgd. Zo raakte bijvoorbeeld Augustinus in existentiële nood toen hij moest kiezen tussen wel of geen zang in de kerk. Zang kan namelijk leiden tot zowel gevaarlijk genot als een stichtelijke instelling. Stel dat hij meer door het gezang dan het gezongene werd ontroerd, dan had hij, vond hij, misdadig gezondigd. De Griekse opvatting over de ethische aspecten van de muziek zijn in de vroege Middeleeuwen door de kerk overgenomen en dat brengt ons bij het gregoriaans. De Romeinen hebben veel minder bijgedragen aan de ontwikkeling van de muziek dan de Grieken; ze hebben vooral veel overgenomen. Toen Constantijn in 313 bij het Edict van Milaan de christelijke kerk(en) uit de illegaliteit haalde, trad de christelijke eredienst in de openbaarheid en begon deze vervolgens aan de weg te timmeren. Byzantijnse riten beïnvloedden alle Here-landen en in de westerse streken ontwikkelden zich daarnaast verschillende Latijnse psalmodieën en hymnemuziek. Een paar eeuwen lang hebben onder meer een gallicaans, mozarabisch (Spanje) en een ambrosiaans (Noord-Italië) zangrepertoire naast elkaar bestaan, totdat de imperialistische machtspolitiek van de Frankische koningen ook aan deze verdeeldheid een einde maakte en het Romeinse zingen dwingend voorschreef. Paus Gregorius de Grote (590-604) is noch de uitvinder, noch de organisator van de Romeinse zangpraktijk die samen met het zogeheten gallische repertoire over het Frankische rijk werd verbreid, maar vanwege zijn vermeende cruciale rol in dat proces is het wel naar hem genoemd. In de negende eeuw was men zelfs van mening dat Gregorius, geïnspireerd door de Heilige Geest in eigen persoon, het hele toenmalige gregoriaanse muziekrepertoire had gecomponeerd. Feit is, dat het gregoriaans de westerse muziekproductie de hele Middeleeuwen door heeft bepaald, en dat ook in de muziek en de muzikale opvattingen van de zestiende eeuw die invloed nog niet is uitgewerkt. In de muziekproductie van de zestiende eeuw bestaat een duidelijke hiërarchie. Ik kom daar later op terug, maar stel hier vast dat de geestelijke muziek, en met name de missa, een hoge status had. Dat is direct terug te voeren op de invloed van het gregoriaans. De christelijke liturgie kende twee erediensten: de officiën of canonieke uren, waaraan men zich vooral in kloosters hield, en de mis. In de officiën ontwikkelde het gregoriaans gezangen die naar de uren van de canon werden genoemd: metten, lauden, vespers enzovoort, die met andere gezangen werden opgetekend in een zangboek, het Antifonarium. De liturgie van de mis bestond uit onderdelen waarvan de teksten per mis verschilden (proprium missae) en stukken die
Twee scholen: van Notre-Dame naar de Vlamingen Meerstemmigheid heeft ook vóór de twaalfde eeuw bestaan, maar daar is evenmin iets van bewaard gebleven. De ons bekende polyfonie is het resultaat van de wens om het eenstemmige gregoriaans te versieren met een tweede, later ook derde stem. Zo ontstonden in de twaalfde en dertiende eeuw polyfone geestelijke gezangen – voor een deel strak in de liturgie ingebed (bijvoorbeeld kyrie en graduale), voor een ander Zelden honoreert het nageslacht de vernieuwingen der voorouders. En dus werd in de veertiende eeuw de muzikale productie van daarvoor afgedaan als ars antiqua. Ars nova (de term is van de Franse componist-dichter-bisschop Philippe de Vitry, door Petrarca de enige echte dichter van Frankrijk genoemd) was in de eerste plaats een modernisering van de muzikale techniek, maar heeft ook andere nieuwigheden voortgebracht. Zo ontdeed het motet zich definitief van zijn liturgische karakter, ontstonden steeds meer wereldlijke liedvormen en werd het muzikale instrumentarium aanzienlijk uitgebreid. Verder verliest (Noord-)Frankrijk iets terrein als centrum van muzikale activiteit. Italië gaat weer een partijtje meeblazen, wat bijvoorbeeld blijkt uit de verbreiding van een typisch Italiaanse muziekvorm als het madrigaal. Toch blijft de Franse muziek dominant en is de kerkmuziek nog springlevend. Muziekhistorici typeren de ‘Messe de Notre Dame’ van Guillaume de Machaut (ca. 1300-1377) als de beroemdste compositie van de veertiende eeuw. In de vijftiende eeuw verbreedt Europa de muzikale horizon verder. Engeland komt in zicht en staat in de ogen van sommige tijdgenoten meteen in de top-10. Zo verklaart Martin Le Franc in zijn gedicht ‘Le Champion des Dames’ (ca. 1442): Tappisier, Carmen, Cesaris Afgezien van de Engelse muzikaliteit worden in dit fragment nog twee ontwikkelingen genoemd die in de vijftiende eeuw favoriet werden: de vrijere ritmiek (‘alteraties, rusten, en modulaties’) en het grotere aandeel van de instrumentale muziek (‘zowel luide als zachte instrumenten’). Belangrijker nog dan Engeland was Bourgondië voor de muziekbeoefening. Het Bourgondische hof, het luisterrijkste van de vijftiende eeuw, trok een internationaal gezelschap van artiesten aan, dat weer zorgde voor een kosmopolitische beïnvloeding van kunstenaars uit Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en Portugal. Het motet in Bourgondische stijl wordt schoolvoorbeeld voor het wereldlijk en geestelijk gezang in het Latijn van de late vijftiende en vroege zestiende eeuw. Datzelfde geldt voor het Bourgondische chanson. Guillaume Dufay (ca. 1400-1474) en Gilles Binchois (eerste helft vijftiende eeuw) hebben de composities van Rabelais’ tijdgenoten beslissend beïnvloed. Als François Rabelais in het (een na-)laatste decennium van de vijftiende eeuw ter wereld komt, is die wereld, politiek en ook cultureel gezien, opgedeeld tussen grootmachten. De Bourgondiërs zijn uitgespeeld en hebben hun erflanden door het huwelijk van Maria de Rijke met Maximiliaan overgedragen aan Habsburg. Door de verbintenis van haar zoon Philips de Schone met Johanna de Waanzinnige (1496) strekt het Habsburgse rijk zich uit van Innsbruck via Brussel tot Madrid. Frankrijk speelt, na de ellende van de honderdjarige oorlog, een steeds grotere rol in Europa, en met het centralistische koningschap wordt het Franse hof steeds aantrekkelijker voor kunstenaars. Dat geldt ook voor het Engelse hof, waar Hendrik VIII niet alleen een muziekmecenas maar ook een actief musicus was. Minstens zo’n grote aantrekkingskracht hadden de hoven van de Italiaanse vorsten van onder meer Napels, Florence en Ferrara en dat van de paus te Rome. In de vijftiende eeuw waren de musici nog vooral aan het Franse en Bourgondische hof te vinden; het is geen toeval dat velen van hen afkomstig waren uit de Bourgondische landen van Herwaarts over, de Lage Landen, ze waren zo te zeggen thuis. In de eerste helft van de zestiende eeuw blijven deze ‘Nederlandse componisten’ nadrukkelijk hun stempel op de West-Europese muziek drukken, maar nu zwerven ze uit, het grote geld achterna. Rabelais heeft zowel in Frankrijk als in Italië rondgereisd en de kunsten daar terdege opgesnoven. Hij kende zijn muzikale tijdgenoten en heeft kond van hen gedaan.
‘[...] Chanter, jouer d’instrumens harmonieux’ (I,57,149) Dat de jonge Gargantua opgroeide voor galg en rad is te veel gezegd, maar het dreigde wel mis te gaan want foute leermeesters leerden hem veel, maar verkeerde en nutteloze dingen. Daarom wordt Ponocrates op hem losgelaten. Die bekijkt het zootje en als een geleerde arts Gargantua geestelijk leeg heeft laten lopen, letterlijk zijn hersens heeft gespoeld, zet hij zich aan de juiste opvoeding volgens het humanistisch-pedagogisch ideaal. Dus zorgde hij: voor een in de juiste maat, tijd en volgorde innemen en uitscheiden van eten en drinken, voor een perfecte afwisseling tussen geestelijke en lichamelijke inspanning, en voor de goede verhouding tussen het bijbrengen van alfaen bèta-kennis en vaardigheden. Bij de verdeling van de trivium- en quadriviumvakken gebeurt er iets opvallends: het quadrivium-onderricht (aritmetica, geometrie, astronomie en muziek) vindt plaats na het eten! Het trivium (grammatica, retorica en logica) is over de hele dag gespreid, maar rekenkunde, geometrie worden na het middageten beoefend en na het avondmaal wordt de sterrenhemel bestudeerd. De muziekbeoefening echter komt op beide tijdstippen aan bod. Dan vermaakten ze zich door heel muzikaal, vier- of vijfstemmig iets te zingen, of uit volle borst, op een bepaald thema. Wat de muziekinstrumenten betreft, hij leerde spelen op de luit, het spinet, de harp, de dwarsfluit en de fluit met negen gaten, de viola en de schuiftrompet. (I,23,105) Dat was na het middageten. Blijkbaar werkt muziekbeoefening laxerend, want na zang en spel ontlastte Gargantua zich. Na het avondeten werd er opnieuw gemusiceerd. Na het dankgebed zongen ze heel melodieus, speelden heel mooi op Het is vlotjes opgesomd, maar de muzikale opvoeding vergt nogal wat van de jonge reus. Hij wordt geacht in een vier- of vijfstemmige formatie zijn partij te kunnen zingen, en ook nog te kunnen melodiëren op een bepaald thema. Daarnaast beheerst dat er zowel onder de mannen als onder de vrouwen niemand was of hij of zij kon lezen, schrijven, zingen, welluidende instrumenten bespelen, vijf of zes talen spreken en daarin zowel in dichtvorm als in proza composities maken. (I,57,197) Je was klaarblijkelijk pas een echte humanist als je naast wellevend, weldenkend, welgevoed, welbespraakt ook welluidend was.
Motet, mis, hymne, psalm De waardering van een muzikale compositie in de zestiende eeuw hing niet alleen af van haar kwaliteit. Het genre deed er wel degelijk toe. Grofweg kan gesteld worden dat de musica sacra hoger gewaardeerd werd dan wereldse composities. De grote polyfonisten ontleenden hun faam toch vooral aan hun missen en motetten. Die voorkeur voor gewijde muziek bleef er ook toen de componisten en hun mecenassen steeds vaker een wereldse status hadden. Het is begrijpelijk dat in een dergelijk waardenpatroon de geestelijke composities de wereldlijke in aantal ver overtroffen. Anderzijds was er weer geen scherpe scheidslijn tussen beide genres. De meerstemmigheid werd zonder aanzien der soort gebruikt in (hoog-)mis en drinklied. Als we bij één schrijver een diepe vertrouwdheid met geestelijke muziek mogen veronderstellen, dan toch zeker bij François Rabelais. Dat hij in zijn jeugdig monnikdom koorzanger is geweest, is waarschijnlijk. Zeker is, dat hij als franciscaan Ook later, als hij reizen maakt in het gezelschap van Jean du Bellay, bisschop van Parijs en gezant van de koning, heeft Rabelais veelvuldig kennisgemaakt met het verheven muziekrepertoire van zijn tijd, want de missies van Du Bellay waren altijd omgeven met plechtige muzikale optredens. Op zijn reizen naar Rome zal hij excellente muziekuitvoeringen hebben meegemaakt, misschien wel van het koor van de Sixtijnse Kapel. Vast staat dat hij in 1538 in Aigues-Mortes was, waar de zeer vermaarde privé-koren van Frans I en Karel V optraden om het einde van het conflict tussen beide vorsten te vieren. Maar van grote voorliefde en heilig ontzag voor de musica sacra is in zijn verhalen niets terug te vinden. Integendeel. Dat heeft alles te maken met zijn afkeer van het monnikendom. Waarom hebben mensen een pesthekel aan monniken? Omdat ze van de zonden leven, deze ‘uitwerpselen der aarde’, die ze vreten op de plee, dat wil zeggen hun kloosters en abdijen, afgezonderd van de maatschappij, zoals ook het geheim gemak afgezonderd is van het huis. En ze doen niks nuttigs. Maar bidden ze dan niet voor de mensen? ‘Helemaal niet,’ antwoordde Gargantua. ‘Het is wel zo, dat ze hun hele omgeving in het garen jagen door dat gebimbambeier met die klokken van ze.’ Duidelijk wordt hier de praktijk van de muzikale officiën op de hak genomen, en dan ‘Ik doe nog veel meer,’ zei de monnik, ‘want terwijl ik in het koor onze metten en memento’s afdraai, maak ik ondertussen snaren voor handbogen, ik polijst pijlpunten en pijlijzers, ik maak strikken en netten om konijnen te vangen.’ In een ander verband laat Rabelais zich nog cynischer uit over de musica sacra. Er heerst grote droogte: [...] op een vrijdag, toen iedereen zich met vrome zaken bezighield en er een mooie processie gehouden werd met heel veel litanieën en schoon psalmgezang en iedereen de almachtige God smeekte om het mensdom Zijn genade te betonen in deze grote nood, zag men duidelijk grote druppels water uit de aarde te voorschijn komen, als bij een mens die overvloedig zweet.’ Uitstekend, het gezang heeft gewerkt. Zou je denken. Maar daar hadden ze zich in vergist, want toen de processie was afgelopen en iedereen deze dauw wilde opvangen om er bekersvol van te drinken, kwamen ze tot de ontdekking dat het slechts een zoutoplossing was, viezer nog en zouter dan het water van de zee.’ (II,2,217) Afkeer en minachting ten aanzien van geestelijke zang en gewijde zangers klinken duidelijk door in de hoofdstukken over de Decretalen in het Vierde Boek en de vogels op het Galmeiland (Isle Sonante) in het Vijfde Boek. Hilarisch is — in de episode van de platte-koekenbakkersoorlog — de schets van het psalmgezang van de monniken van Seuilly door hun collega, broeder Jan van Plettum, ‘de beste monnik die er ooit heeft bestaan’. De monniken vrezen een aanval van het leger van Picrochole, koning van Lerné, en vragen zich in het kapittel af wat te doen. Daar werd besloten dat ze een mooie processie zouden houden, met veel psalmgezang en litanieën contra hostium insidias en schone beurtzangen pro pace. (I,27,117) Zo geschiedt. Maar de vijand penetreert de abdij, jat de oogst en broeder Jan gaat kijken wat zijn dappere confraters uitrichten. Toen hij ze daar zag staan zingen van Ini nim, pe, ne, ne, ne, ne, ne, ne, tum, ne, mum, num, ini, i, mi, i, mi, co, o, o, ne, no, ne, no, no, no, rum, ne, num, num, zei hij: ‘Dat hebben jullie drommels mooi gezongen. Godnogtoe! Waarom zingen jullie niet: Gedag manden, de wijnoogst is gedaan?’ (I,27,118) Veel later kijkt broeder Jan met instemming terug op deze episode ‘De duvel mag me komen halen [...] als de wijngaard van Seuilly niet helemaal kaalgeplukt en verwoest was, als ik alleen maar het Contra hostium insidias (dat staat in m’n brevier) had gezongen [...]’ (IV,23,333) Nee, in de boeken van François Rabelais geen hymnen over de gewijde muziek van zijn tijd. En over het motet? In Rabelais’ tijd werd het motet gezien als een serieus, verheven gezang, meestal in het Latijn, staande in een eeuwenoude hoogstaande traditie. Nou, hij gebruikt de term in al die verhalen maar twee keer. En in het opzienbarende muzikale menu van de koningin van Lampland (waarover straks meer), dat maar liefst 175 gangen telt, is maar één motet opgenomen: ‘Dulcis amica, dei digna’, door onder anderen Josquin Des Prez en Nicolas Gombert op muziek gezet. Een uitvoering van dit motet heb ik niet kunnen achterhalen. Ik heb daarom een ander motet van Josquin Des Prez opgenomen. De Profundis Clamavi (1) De profundis clamavi ad te, Domine; Het De Profundis is de psalm die onder componisten even geliefd was als het requiem
Een muzikaal diner Het auteurschap van het Vijfde Boek is al omstreden en dat maakt de authenticiteit van het menu van Lampland nog problematischer. Als het gezelschap van Pantagruel en Panurge op weg is naar het Orakel van de Fles maakt het een tussenstop in Lampland, om daar een lampenpit te vragen die hun zou kunnen bijlichten en als gids dienen. De reizigers worden hartelijk ontvangen door de koningin van Lampland. Ze mogen de lampenpitten uitzoeken die ze wensen en worden uitgenodigd om samen met de koningin en haar hofdames het diner te gebruiken. In de tekst van het Vijfde Boek staat dan: Na het diner trokken we ons terug om wat uit te rusten. De volgende morgen liet de koningin ons uit de meest in het oog springende lampenpitten er een uitkiezen om ons te begeleiden. En zo namen we afscheid. (V,32,126) Hier ontbreekt het beroemde 175-gangen menu. Deze lijst van muziekstukken is voor het eerst opgedoken in Le Disciple de Pantagruel (1538), mogelijk van de hand van een imitator van Rabelais die munt wilde slaan uit de populariteit van de auteur. Hij komt niet voor in de edities van het Vijfde Boek van 1562 en 1564. Huchon neemt dit (en een tweede) ontbrekend hoofdstuk op als appendix (pp. 903 e.v.), dat als volgt De windzakken, blaaspijpen en doedelzakken begonnen harmonieus te snorken en de schotels werden aangedragen. Toen de eerste gang werd opgediend pakte de Koningin bij wijze van pillen die zo welriekend zijn, ik noem dat ante cibum, een lepeltje petasinne om de druk op de maag te verminderen. En toen werden opgediend (Nu volgt wat in de marge stond en niet is opgenomen in dit boek; servato in Dan krijgen we eerst een opsomming van zo’n 150 schertsgerechten. Als dat allemaal Vervolgens trok de Koningin zich terug op haar troon, en begon de rest, onder de hemelse klanken van de doedelzakken, je zou kunnen zeggen de meest uiteenlopende dansen uit te voeren.’ (906) Op de dan volgende lijst komen dansen voor als de gaillarde, de allemande, de pavane. Verder wordt als gezegd één motet genoemd: Dulcis amica. Verreweg de meeste nummers zijn titels van bestaande chansons en dansen, die voor een deel ook getraceerd zijn. Ik beperk me tot die titels waarvan ik een hedendaagse uitvoering kon vinden. Als dat niet lukte, heb ik voor sommige nummers een vergelijkbare remplaçant opgenomen. (Ter herinnering: de plaats die het nummer op de cd heeft gekregen staat achter de titel vermeld; tussen vierkante haken de titel zoals hij bij Rabelais voorkomt met de pagina in de editie-Huchon.) Sur le marché d’Arras (4) [‘Dessus les marches d’Arras’ (907)] Dessus le marché darras De driestemmige zetting van dit vlotte flirtliedje is van Adriaan Willaert (ca.1490-1562). De liefdesklacht ‘Les grandz Regretz’ (908) in driestemmige zetting van Alexander Agricola (ca. 1446-1506) was niet in een hedendaagse uitvoering terug te vinden. In zijn plaats had ik willen opnemen het vergelijkbare ‘Mille Regretz’ van Agricola’s tijdgenoot Josquin Des Prez (ca. 1450-1521), maar ik ben gezwicht voor de schoonheid van de versie van Josquins leerling Nicolas Gombert (ca. 1500- ca.1556), vanwege de prachtige klagelijke, traag slepende fugatische lijn die wel moet eindigen met ‘finir mes jours’. Mille Regres (5) Mille regres de vous habandonner, De volgende uitvoering van Heinrich Isaac (ca.1445-1517) is een polyfone uitwerking van een populair volkslied over een zo mogelijk nog geliefder thema: dat van de gefrustreerde, uitgehuwelijkte bruid, die een eigen naam kreeg: Malmaridade. Het lied van Isaac heeft twee bijzondere kenmerken. Het begint met een driestemmig, muzikaal intro, waarin de instrumenten de menselijke stem nabootsen. Daarna volgt het lied, met een vrouwen- en een mannenstem, en de derde, de onderstem, blijft instrumentaal, terwijl de andere instrumenten ertussendoor praten. Al met al een aangename, muzikale ruzie. Mon pere m’a donné mari (2) [‘Malemaridade’ (907)] Mon pere m’a donné mari Voor het contrast voeg ik hier die andere, even populaire frustrerende huwelijkssituatie aan toe: de echtgenoot met de horentjes! Pierre Certon (?- 1572), vruchtbaar liedjesschrijver, muziekmeester en kanunnik aan de Notre-Dame in Parijs heeft de bedrogen echtgenoot vereeuwigd in een van de bekendste chansons uit de zestiende eeuw: La, la, la, je ne l’ose dire (6) La, la, la, je ne l’ose dire Claudin de Sermisy (ca. 1490- ca.1562), hofmusicus van Frans I, schreef naast 200 andere chansons deze prachtige, ingehouden liefdesklacht op een geliefd pastoraal thema: de minnaar schreit en de natuur treurt mee. Au joly boys (9) [‘Le joly boys’ (910)] Au joly boys en l’ombre d’ung soucy, Zover laat de nuchtere verliefde knaap het in de pastorale zang ‘En ombre d’ung buissonet’ niet komen. Een jongen ziet zijn geliefde meisje een krans vlechten in de schaduw van een bosje. Hij spreekt haar aan: Bellon, wil je alsjeblieft van me houden, ik ben jouw Robin! Bellon: je kunt me wat, ik geef geen zier om je. Maar hij houdt aan: als je mijn liefje wordt, dan krijg je mijn brood, van korst tot kruim. De driestemmige muziek is van Josquin Des Prez. En l’ombre d’ung buissonet (3) [‘A l’ombre d’un buissonnet’ (908)] En l’ombre d’ung buissonet Behoorlijk materialistisch, dit lokaas. Een stuk filosofischer spreekt de geliefde de beminde toe in ‘Joyssance vous donneray’, een vierstemmig gezang met luitbegeleiding van Claudin de Sermisy. Ik beloof je een leven vol vreugde en tevredenheid. Ik zal je nooit verlaten en als je dood bent zul je in mijn herinnering blijven voortleven. Als jij om mij bekommerd bent, weet: ik ben het om jou. Maar als je om de liefde treurig bent, troost je hart met deze gedachte: alles komt goed wanneer je kunt wachten. Joyssance vous donneray (7) [‘Jouyssance’ (907)] Joyssance vous donneray, Si pour moy avez du soucy, ‘Triste plaisir’ (909) is de laatste titel in het koninklijk menu die hier de revue passeert. Weliswaar bestaat er voorzover ik weet geen moderne uitvoering van, maar chansons van dit genre waren erg geliefd en dus wijdverbreid. Bovendien lag het patroon vast en dus was het niet moeilijk een goede vervanger te vinden. ‘Triste plaisir et douloureuse joye’, een beroemd gedicht van Alain Chartier (ca. 1385- ca. 1430), was in de tijd van Rabelais al behoorlijk oud. De driestemmige toonzetting van de al even beroemde ‘Bourgondische’ componist Gilles Binchois (ca. 1400-1460) was misschien al wel 80 jaar oud toen het lied in de lijst terechtkwam.. Waar gaat het over: treurnis om de onvervulde liefde. De melancholische toon van hopeloze verwachting vinden we indrukwekkend terug in ‘Dont vient cela’ van Claudin de Sermisy: Dont vient cela (11) Dont vient cela, belle, je vous supply, Si vous laissez d’amour le train joly,
Vrijen, vechten en verbrassen Gargantua amuseert zich in zijn jeugd met menig spel. In de lijvige lijst van zijn spelletjes figureert het (jeu) ‘au passavant.’ Als zijn zoon Pantagruel een tour maakt langs de Franse universiteiten, wijden de studenten van Orléans hem in balspelen in en ‘le menoyent aulcunesfois es isles pour s’esbatre au jeu du poussavant’ (II,5,232). Een aardje naar zijn vaartje. Want ‘au poussavant’ lijkt een onschuldig jeu de boules, maar het begrip had een sterk erotische lading. Wat de studenten van Orléans Pantagruel bijbrachten was inderdaad een balspel, maar dat had hij ook van zijn vader kunnen leren. De erotische betekenis van ‘le joly jeu du poussavant’ komt onverbloemd naar voren in het gelijknamige chanson, door Clement Janequin (ca. 1475- ca. 1560) vierstemmig op muziek gezet en in 1529 uitgegeven door Pierre Attaingnant (Chansons de Maistre Clement Janequin). De tekst spreekt voor zich, maar extra aandacht voor ‘laisser trut avant’ is op zijn plaats. ‘Trut avant’ schreeuwde de ezeldrijver om zijn beest vooruit te krijgen. Het is wel duidelijk wat de minnaar zijn schone toevoegt. (Vandaar mijn hoge waardering voor de woordkeus van Hannie Vermeer-Pardoen, die het ‘jeu au poussavant’ vertaalt met: ‘een potje pomeransen’.) Au joly jeu (8) Au joly jeu du pousse avant il fait bon jouer. Janequin is ook de componist van een ander, beroemd polyfoon chanson, waarin de overwinning van Frans I op de Zwitsers bezongen wordt en de verovering van het hertogdom Milaan (slag bij Marignano, 1515). Rabelais verwijst in het Vierde Boek naar dit chanson, als Pantagruel in hoofdstuk 55 de aandacht van zijn kameraden vestigt op het geluid van de ontdooide woorden door een herhaald: ‘Escoutez!’, het woord waarmee ook Janequins chanson begint. In hoofdstuk 56 beschrijft hij het smelten van de woorden precies naar de schildering die Janequin ervan geeft: ‘[...] hin, hin, hin, hin, his, ticque, torche, lorgne, brededin, brededac, frr, frrr, bou, bou, bou, bou, bou, bou, bou, bou, traccc, trac, trr, trr, trr, trrr, trrrrrr’ (IV,56,670). Luister vooral naar het tweede deel van het lied. La Guerre (13) [of La Bataille] Escoutez, tous gentilz Galloys, Populair was in de eerste helft van de zestiende eeuw een lied met de titel ‘Faulte d’argent, c’est douleur non pareille’. Helaas, de jongeman is zoals altijd platzak, en wat voor kans heb je dan bij de vrouwtjes? Het is toch bekend: ‘Femme qui dort, pour argent se resveille.’ Rabelais moet dat lied goed gekend hebben, want bij de introductie van Panurge formuleert hij het chronisch gebrek aan liquide middelen van Panurge als volgt: ‘[..] subject de nature à une maladie qu’on appelloit en ce temps là, faulte d’argent c’est doleur non pareille’ (II,16,272). In het Vierde Boek (hoofdstuk 35) verwijst hij weer naar dit lied. Het was dan ook geliefd, en er zijn polyfonische zettingen van onder anderen Willaert, Manchicourt, Corneille de Montfort en Josquin Des Prez. Ik kies voor de bewerking van het thema in het lied ‘La Fricassée’ van Henry Fresneau (ca. 1500- ca. 1545). Vanaf 1532 verschijnt Rabelais’ werk in Lyon, en in die stad was Henry Fresneau toen werkzaam. Hij was niet zo erg bekend, maar lokaal was hij toch van betekenis en Rabelais moet hem zeker gekend hebben. ‘La Fricassée’ is een vierstemmig chanson waarin de vier stemmen superius, contratenor, tenor en bassus allemaal een eigen tekst zingen (wat overigens vaker voorkwam) Het is ondoenlijk en overbodig die teksten hier weer te geven; je kunt ze in de uitvoering toch niet uit elkaar houden. Om het thema te illustreren hier de eerste zeven regels van de superius en de contratenor, waarin we trouwens ook een (ons inmiddels) bekende titel aantreffen. La Fricassée (10) superius contratenor
Op de Olympus In de nieuwe proloog van het Vierde Boek van 1552 is een curieuze episode opgenomen over componisten tussen ruwweg 1450 en 1550. Op de Olympus vergaderen de goden over de toestand in de wereld als ze gestoord worden door de klaagzang van houthakker Hanenpoot uit Gravot, die zijn bijl kwijt is en in wanhoop de oppergod aanroept: Jupiter, ik wil mijn bijl terug! Zullen we die lastpost zijn zin maar geven? Wat jij, Priapus? Nou, oppergod, mij best maar u moet wel weten dat een bijl niet alleen maar het gereedschap van een houthakker is, het woord betekent ook een ‘lekker rijp wijffie dat vaak vandebilgerampetamt is’ (IV,Pr.,259). Alle vrolijke kwanten noemen hun mokkeltje zo, als ze hun steel in hun bijltje rammen. Daar heb ik me toch een uitgelezen koortje eens een toepasselijk lied over horen zingen, nou, en een kleine vijftig jaar later deden hun opvolgers het nog schuinser over. Dat ging zo... De goden horen hem aan en komen niet bij van het lachen. Waar Toen dikke Dries naar bed zou gaan Jaren later trad een ander koor op ‘in een verscholen tuin onder het fraaie lover’ met een lied van gelijke strekking: Heb je een bijl, dan wil je een steel: De koorleden: Adriaan Willaert, Gombert, Janequin, Arcadelt, Manchicourt en anderen, samen drieëndertig man. Waarom stikten die goden van het lachen? Een schuine bak gaat er bij die lui altijd in, maar maakten ze zich stiekem ook niet vrolijk over dat verheven gezelschap? De vergelijking is misschien gezocht, maar stel je even J.S. Bach voor. Die was ook niet te beroerd om teksten als: ‘Sooft ich meine Tobackspfeife / met guten Knaster angefüllt’ van muziek te voorzien, maar dat is toch nog wat anders dan hem ‘Ouwe taaie, laat je broek maar waaie’ te horen zingen. Op deze episode zijn nogal wat veronderstellingen losgelaten. Tussen de twee optredens zit een periode van ‘Neuf Olympiades et un an intercalare’(IV,Pr.,530). Volgens de uitleg die Rabelais in zijn ‘Briefve declaration d’aulcunes dictions’ bij het Vierde Boek daar zelf aan geeft gaat het om 9 x 5 + 1 (schrikkel)jaar, dus 46 jaar. In die tijdspanne zou het karakter van de muziek veranderd zijn, van ‘melodieusement’ (eerste koor) naar ‘mignonnement’. Feit is, dat de ritmiek bij Willaert minder strak, speelser is dan bij Ockeghem, maar bedoelde Rabelais dat ook? De lokatie van het tweede koor ‘in een verscholen tuin’, een privé-tuin, zou kunnen verwijzen naar de midden zestiende eeuw in zwang komende musica reservata, die geïnterpreteerd kan worden als voor de opdrachtgever bedoelde, niet voor iedereen toegankelijke muziek, maar welke term ook gebruikt wordt om een zo groot mogelijke aanpassing van de muziek aan de tekst aan te geven. Het probleem is dan echter dat Josquin Des Prez beschouwd wordt als de ‘grondlegger’ ervan en hij zat toch echt in het eerste koor. Ons bij de feiten houdend kunnen we het volgende vaststellen. De meeste genoemde componisten zijn van de Nederlandse School (Lage Landen: (Zuid-)Nederland en Noord-Frankrijk), verder een aantal Fransen, twee Italianen en een Spanjaard. De eerste tranche bevat toondichters die rond het midden van de vijftiende eeuw geboren zijn en in de eerste decennia van de zestiende eeuw stierven. Uit de toon vallen Johannes Ockeghem (ca. 1420-1497) en Jacquet Bercan (Jacques Berchem, ?-ca. 1580), te oud en te jong in dit rijtje. Leden van het tweede koor zien het levenslicht rond de eeuwwisseling en sterven tussen 1560 en 1580, behalve Doublet en Du Moulin, die beter in het eerste rijtje hadden kunnen staan. Voorts is opvallend dat in beide opsommingen een zekere hiërarchie zit: hoe verder je afdaalt, hoe minder bekend ze zijn. In elk geval in onze tijd. De kanjers staan voorop, worden in muziekedities van de zestiende eeuw het meest opgenomen, waren fameus om hun polyfone composities. Heeft Rabelais ze daarom zo achter elkaar gezet? En dan is er ten slotte het onweerlegbare feit dat hij deze godenzonen een lied over rampetampen laat zingen. Waarom? Rabelais, de eeuwige spotvogel? Ik maak gebruik van de lijst van 58 polyfone toondichters om nog een paar componisten en composities te noemen die in het land en in de tijd van François Rabelais grote indruk hebben gemaakt. Johannes Ockeghem heeft het grootste deel van de vijftiende eeuw meegemaakt. Hij is de schakel tussen de Bourgondische componisten (Binchois, Dufay) en de polyfone meesters van de hoogrenaissance. De waardering van die generatie voor hun grote voorganger horen we in de klacht van Josquin Des Prez bij het verscheiden van Ockeghem: Déploration de la mort de Johannes Ockeghem (17) Nimphes des bois, déesses des fontaines, Bon père Ockeghem heeft ook de reeks arrangementen in gang gezet van het beroemde ‘Fors seulement’, dé liefdesklacht par excellence van de late vijftiende eeuw: de enige hoop die mij nog rest is de gedachte aan de dood! Ockeghem heeft zelfs een mis aan het thema gewijd, en na hem hebben onder anderen Pierre de la Rue (1460-1518) en Antoine Brumel (1460-1515) de klacht op muziek gezet. Hier volgt de vierstemmige toonzetting van Pierre de la Rue in een instrumentale (14) en een vocale uitvoering. Fors seulement (15) Fors seulement l’attente que je meure, Sluiten we de rij met twee vrolijke niemendalletjes. Josquin Des Prez laat Scaramella Scaramella (16) Scaramella va alla guerra colla lancia et la rotella, En Nicolle des Celliers d’Hesdin laat een dame heftig naar de schoorsteenveger Ramonez moy ma cheminée (12) Ramonez moy ma cheminée
Niets nieuws onder de zon Rabelais heeft het op menige plaats in zijn verhalen over het belang en de invloed van muziek. We worden er vrolijk van, of bedroefd, of opstandig, of beschaafd, of ... Keren we dus nog even terug naar de Griekse ethische denkbeelden over muziek. Dat doet muziek met de mens? Volgens Plato en Aristoteles is de invloed van muziek op zijn karakter en handelen immens, en dat dachten velen na hen. Wat schrijft Eugène Deschamps over muziek in zijn L’Art de Dictier uit 1392: Zo brengt de muziek met haar mooie melodieën ontspanning en nieuwe kracht van hart en ziel voor hen die hun denken, hun voorstellingsvermogen en hun psychische inspanningen in het kader van de andere zes kunsten hebben ingezet, en daardoor uitgeput en vermoeid zijn, zodat ze daarna weer fris aan de slag kunnen. Wat lezen we in 2005? ‘Muziek matigt stress’, kopt NRC Handelsblad. De krant meldt verder: muziek beïnvloedt hartslag, ademhaling en bloeddruk... kan hetzelfde effect hebben als bewuste relaxatie- of meditatie-oefeningen... kan zelfs het ontstaan van hart- en vaatziekten tegengaan. Hoe zei Deschamps het ook weer? En Rabelais? En de Grieken? Aantekeningen: * I,5,18 (boek, hoofdstuk, pagina); de Franse citaten verwijzen naar de editie-Huchon, het Nederlands is van Hannie Vermeer-Pardoen. In dit stuk ontbreken verwijzingen, noten, geraadpleegde literatuur en wat al niet. Dat komt omdat elke studieuze of wetenschappelijke bedoeling afwezig is. Een combinatie van een levenslange liefde voor de polyfonie (ook in gerenommeerde naslagwerken meestal – zoals dat heet – stiefmoederlijk bedeeld, eigenlijk bestaat zij niet. Op het festival van de Oude Muziek in Utrecht zijn tegenwoordig Händel en Beethoven al bejaard!) en een diepe bewondering voor Rabelais hebben mij tot dit verhaal gebracht. De afwezigheid van bronvermelding betekent natuurlijk niet dat ik alles zelf verzonnen heb; veel van de in dit stuk verwerkte kennis is van anderen. Zo heb ik veel gehad aan die prachtige ouderwetse monografie van Nan Cooke Carpenter, Rabelais and Music uit 1954. Er wordt meer in verondersteld dan vermeld, maar wat overblijft is een indrukwekkende berg erudiete kennis in een overigens leeg laagland over dit onderwerp. Soms vond ik nuttige informatie in de begeleidende teksten bij de cd’s. De vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen heb ik met genoegen gevolgd en eens te meer gewaardeerd. Waar ik de editie-Huchon gebruik gebeurt dat niet uit eigenwijsheid, maar omdat een enkele keer uit de vertaling de verwijzing naar muziek(titels) onvoldoende blijkt. De muziek is afkomstig van de volgende cd’s: – Les cris de Paris. Chansons de Janequin & Sermisy. Ensemble Clément Janequin, Dominique Visse (Harmonia Mundi, Arles 1982, 1996) (nrs. 7, 8, 9, 11, 13) De illustratie siert ook de cd-hoes en komt uit George Reisch, Margarita philosophica, Basileae, Industria Michaelis Furterii et Joannis Scoti, 1508; het bijschrift luidt: ‘Allégorie de la musique; les marteuax, à l’origine de la théorie musicale, sont ici représentés dans la balance en bas à droite.’ — Citaat — ‘Motet [Lat. motetus, motellus, mutetus; It. motetto; Dts. Motette] sedert de 13e eeuw, in geheel Europa, een van de belangrijkste vormen van vocale muziek. Bloeitijd tussen 1450 en 1600, nabloei tot in onze dagen [...]’ [omhoog, terug naar multimedia, naar entree of naar de sitemap]
|
|||||||||||