|
Besprekingen en signalementen
![love my bookshop [foto monique bullinga] love my bookshop [foto monique bullinga]](../assets/images/love_my_bookshop__foto_monique_bullinga_.jpg)
Door Monique Bullinga en Piet Offermans.
Inhoud
[24] Seeman. Maritiem woordenboek [23] Elders, Josquin des Prez [22] Andersen, Sprookjes en verhalen [21] Tent.cat. Lucas van Leyden en de renaissance [20] Langereis, Breken met het verleden [19] Lucretius, De natuur van de dingen [18] Geschiedenis van Deventer [17] Letterfontein [over drukletters] [16] Boek & Letter [15] Tent.cat. The Hours of Catharine of Cleves [14] Beeldschone boeken [13] Wim Zaal, Valsheid in geschriften [12] Twee pláátjes van boeken [11] De thesaurus van Gramsbergen [10] Boekenwijsheid [9] Voices and Visions. The Koopman Collection [KB] [8] Paul J. Smith, Réécrire la Renaissance [7] Sebastian Brant, Het Narrenschip [6] Alexander Waugh, De Wittgensteins [5] Atte Jongstra, Klinkende ikken [4] Tent.cat. Romeyn de Hooghe. De verbeelding van de late Gouden Eeuw [3] Signs on the Edge [2] Hout in boeken [1] Pierre Bayard, Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen
[Nieuwe uitgaven over montaigne en voltaire worden aldaar gesignaleerd.] [terug naar de lezende kip, naar entree of naar de sitemap]
❧
[24] Van aak tot zwijmen. Bespreking van Seeman. Maritiem woordenboek van Wigardus à Winschooten. Hertaald en ingeleid door Hans van Beelen, Ingrid Biesheuvel en Nicoline van der Sijs. Walburg Pers, Zutphen 2011, 326 blz. plus cd-rom, € 39,50
De ellende van een woordenboek, om het even welk, is dat je er altijd in verdwaalt. Het begint met iets opzoeken, je oog blijft ergens aan haken, en voor je het weet ben je een uur verder en vergeten waarvoor je het boek aanvankelijk opensloeg. ‘Ellende’ dient hier uiteraard met een knipoog gelezen te worden: de niet aflatende speurtochten die het gevolg zijn van een onschuldig controleren van een woord of het zoeken naar de betekenis ervan zijn nu juist de kwintessens van het lezen in een woordenboek of naslagwerk. Je begint ergens, maar slaat dan zijpaden in, wordt verleid door een ander interessant lemma, of volgt de lokroep van een nieuw ontdekt exotisch woord. Hypertext avant la lettre, zoiets.
Ik schreef: lezen in een woorden-boek of naslagwerk, omdat dat immers de wijze is waarop dergelijke teksten geconsumeerd worden. Maar voor het hier gesignaleerde Seeman. Maritiem woordenboek geldt dat niet, daar lees je niet in, dat lees je. Om te beginnen is het er met zijn 1800 trefwoorden (uitgebreid met samenstellingen en afleidingen) beknopt genoeg voor, ook al noemen de hertalers ‘het aantal behandelde woorden hoog’ (p. 11). Wat het ondanks zijn aard zo geschikt maakt om van kaft tot kaft te lezen is de hoeveelheid en verscheidenheid van de gegeven informatie. Die is bovendien op een aantrekkelijke manier vormgegeven: twee kolommen, prettige letter, rijk geïllustreerd. Dit is niet alleen aan de uitgever te danken — die evengoed wel een pluim verdient voor deze voorbeeldige uitgave. Nee, het is vooral het werk van Hans Beelen, Ingrid Biesheuvel en Nicoline van der Sijs, die met deze hertaling een juweeltje toegankelijk hebben gemaakt. Zij streefden naar ‘een prettige leesbaarheid voor een eigentijds publiek zonder dat de toon van het origineel verloren ging’, en zijn daar zonder meer in geslaagd. Dit is nog te controleren ook, want de meegeleverde cd-rom stelt de lezer in staat de oorspronkelijke uitgave (afbeeldingen), de transcriptie én de hertaling naast elkaar op het scherm te toveren en met elkaar te vergelijken.
Toen Wigardus à Winschooten in 1681 zijn Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Neederlandse Konst, en Spreekwoorden, voor soo veel die uit de Seevaart sijn ontleend publiceerde was dit het eerste maritieme lexivcon van het Nederlands, zoals in de inleiding valt te lezen. Winschooten, in 1639 geboren te Amsterdam, had er de Latijnse school doorlopen. Na een studie filosofie in Leiden werd hij in dezelfde stad ‘praeceptor’, leraar. Zijn Seeman komt niet uit de lucht vallen. Nog voor zijn twintigste had hij een aantal korte verhandelingen (in het Latijn) geschreven, waarvan één inging op de vraag ‘of de oceaan overal dezelfde diepte heeft’; de belangstelling was er dus al. En Winschooten had grootse plannen: ‘[...] als de tijd en gelegenheid het toelaten, zal ik u binnenkort ook een Landman en een Stadsman leveren. Met deze drie titels geef ik u een ruwe schets van onze Nederlandse taal als geheel [...]’, schreef hij in ‘Aan de taalkundige lezer’ van de Seeman (p. 78). Daar is het niet van gekomen, Winschooten stierf op zijn zesenveertigste. Wanneer precies is niet bekend, maar in elk geval voor 11 april 1685, de dag dat zijn bibliotheek van maar liefst 2008 nummers werd geveild. Deze catalogus is ook op de cd-rom te vinden; dit levert niet alleen een boeiend inkijkje op in een zeventiende-eeuwse particuliere boekenverzameling, maar ook in de door Winschooten gebruikte bronnen.
De voorliggende Seeman besluit met de letter z, waar het woordenboek van Winschooten eindigt met het lemma wurm. Dat komt zo. In zijn spellinggids Letterkonst (1683) verklaarde Winschooten onder meer dat de letter z wel weg kon, behalve bij ‘vreemde woorden en uit twee medeklinkers samengetrokken woorden’ (p. 18). Dat betekent dat een deel van de trefwoorden die nu onder de z staan oorspronkelijk dus onder de s te vinden zijn. Door deze ingreep van de hertalers valt de grap waarvan zij gewagen in het water:
‘Het laatste trefwoord van het woordenboek is wurm, en daar maakt Winschooten een opmerking die alleen begrijpelijk is voor wie weet dat het hier gaat om het slotwoord: nadat hij heeft geconstateerd dat er verschillende soorten wormen bestaan, voegt hij toe: “Verwacht evenwel niet, lezer, dat ik u hiermee zal vervelen, want ik haast me en lijk op de paarden die de stal beginnen te ruiken.”’
De hedendaagse lezer heeft na die wurm nog 62 z’tjes te gaan. Maar als gezegd: dat is bepaald geen straf. De tekst leest vlot weg — het lijkt soms of Winschooten met je aan één tafel zit — en er valt veel te leren, niet alleen op taalkundig maritiem gebied. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de aandacht van de Leidse schoolmeester voor dialecten en streektaal, vrouwentaal en etymologie, zoals Beelen, Biesheuvel en Van der Sijs in hun informatieve inleiding al aangeven. Zelf beleefde ik met name veel plezier aan de talloze spreekwoorden en uitdrukkingen die Winschooten heeft opgenomen en aan de (folkloristische) informatie die hij daarbij geeft. (Op de cd-rom wordt in de spreekwoordenlijst overigens verwezen naar het trefwoord in de oorspronkelijke spelling, in plaats van naar die in het boek gebezigd.) Eén voorbeeld slechts — anders zou ik een hele lijst favorieten moeten geven —, maar dan ook het hele lemma:
‘Papennaad (paapenaad) komt van: paap en naad. Nu moet het niemand vreemd dunken, dat in ons Nederlands het woordje paap betekent: kostelijk [in deze betekenis niet in het WNT, MB]. Want wie weet niet dat een papegaai een vogel is die om zijn exotiche schoonheid cadeau werd gedaan aan de papen. Vandaar het boerenkermisvermaak: de papegaai schieten: hij heeft de papegaai geschoten, dat is de papegaai geschoten!, hetgeen betekent: dat is een meesterstuk, en hij heeft de hoogste prijs verdiend. Een papennaad nu is een naad die kostbaar is, zoals de platte naden aan de zeilen.’
Kostelijk. Soms laat de auteur je aan de mast bungelen, zoals s.v. klimmen: ‘[...] de zegswijzen hiermee zijn talrijk en gevarieerd, maar te bekend om de lezer mee op te houden.’ En inderdaad, alleen al in het WNT zijn genoeg voorbeelden te vinden. Opmerkelijk vond ik het ‘iemand in zijn boosheid stijven’ als betekenis van ‘iemand het hart onder de riem steken’, dat ik uitsluitend ken als ‘iemand moed inspreken’. Gevolg: weer een notitie in de kantlijn, ‘opzoeken!’
 |
Hoe volledig deze publicatie met al zijn bijlagen ook is, gelukkig hebben de hertalers hier en daar nog iets aan de zelfredzaamheid van de lezer overgelaten. Het lemma kluiffok bijvoorbeeld begint met ‘of op z’n Dordts lul [...].’ Dat laatste wekt verwarring, gezien een van zijn huidige betekenissen. Het WNT citeert Winschooten s.v. kluiffok keurig, maar geeft ook: ‘In obscene toepassing, wellicht met toespeling op Fokken’. Niets over het gewraakte woord. Onder het trefwoord lul I daarentegen vinden we in het WNT iets wat het raadsel oplost: ‘Van onbekenden oorsprong. Thans verouderde benaming voor de driehoekige fok, het stagzeil, dat op visschersvaartuigen en derg. geheschen wordt.’ Hier wordt Winschooten opnieuw aangehaald, nu met bovengenoemd citaat. Maar stug doorlezend in de Seeman treft men het lemma lul aan. Ik had me de moeite kunnen besparen, want hier wordt als betekenis gegeven ‘brede fok, die door ons kluiffok wordt genoemd.’ Meteen daarop volgt eaansporing: ‘Zie aldaar en u zult de genomen moeite (naar ik hoop) niet betreuren.’ Zeker niet, meester Winschooten! Het corrigeren van onjuiste etymologieën is achterwege gelaten (‘geen beginnen aan’), maar op de cd-rom is ‘bij ieder trefwoord uit Winschooten een link toegevoegd naar de etymologie-bank’ (p. 15). Die zijn helaas nergens te vinden, wat betekent dat je nooit weet of Winschooten de juiste herkomst van woorden geeft, en bij twijfel of soms gewoon uit nieuwsgierigheid naar de etymologiebank moet gaan. Oók geen straf trouwens. Ik zat bij de l, en zocht maar meteen even op of de informatie die Winschooten geeft s.v. luitenant : ‘[...] als bestuurlijke term [...] komt het van Latijn: locum tenere of Italiaans locotenent [...]’ dezelfde is als die van de etymologiebank. Na een kwartiertje dwalen was ik weer terug.
Hans Beelen, Ingrid Biesheuvel en Nicoline van der Sijs zijn bekend van hun project om zoveel mogelijk voor de geschiedenis van het Nederlands belangrijke teksten toegankelijk te maken voor een groter publiek. Zij doen dit samen met een groep vrijwilligers, verenigd in de Stichting Vrijwilligersnetwerk Nederlandse Taal, in 2008 opgericht door Van der Sijs. Met de Seeman hebben zij opnieuw een fraai exemplaar toegevoegd aan de indrukwekkende lijst. Door dit mooie, instructieve en zeer leesbare woordenboek hoeft de lezer op maritiem gebied nooit meer te kluiven. Wat dat betekent zoekt u zelf maar op. (MB) [omhoog]
[23] De grote onbekende Bespreking van Willem Elders, Josquin des Prez (pdf)

Josquin des Prez was als bekend een tijdgenoot van François Rabelais. Een van de nummers van Faicts & Dicts (37, te vinden in de leeszaal) gaat over de muziek in en uit de tijd van Rabelais. In déze bespreking worden de schijnwerpers uitsluitend op Josquin des Prez gericht.
[22] ‘Ogen als schoteltjes zo groot’ Signalement van Hans Christian Andersen, Sprookjes en verhalen. Vertaald door Annelies van Hees. Met een nawoord van Manon Uphoff. Atheneum—Polak & Van Gennep, Amsterdam 2011 [oorspronkelijk 1992]
Lidia Postma, illustratie bij ‘De tondeldoos’ (1975)
Ja, dat krijg je als je boeken uit je jeugd opnieuw gaat lezen: ze zijn lang zo mooi, spannend, eng of interessant niet meer, óf ze kloppen niet met je herinnering. Meteen al een heftige teleurstelling kreeg ik te verwerken op de eerste pagina van het boek. In ‘De tondeldoos’ wordt een soldaat door de heks een holle boom in gestuurd om geld, veel geld te halen. Achter de eerste van de drie deuren in de lange, door wel honderd lampen verlichte gang zou hij een grote kist zien staan met daarop een hond ‘met ogen zo groot als theekopjes’! Nou, dat klópt helemaal niet! Die hond had ogen zo groot als schoteltjes! In mijn vertwijfeling te rade gegaan bij een zusje dat nog steeds in sprookjes gelooft. Zij reageerde met een beslist ‘Nee, die hond had ogen zo groot als schoteltjes.’ Dat was duidelijk, we moesten het verhaal in dezelfde vertaling gelezen hebben. Maar welke dan? Niet die van Van Eeden uit 1931: althans als de negende druk (1975), met illustraties van Lidia Postma, niet afwijkt van de eerste. Want ook hij geeft het door zus en mij verfoeide theekopjes.
Eerst een bekentenis. Aan veel, heel verschillendsoortige boeken en tijdschiften van mijn lagereschooltijd heb ik zeer goede herinneringen; daarin zal ik niet afwijken van de meeste lezers. Maar nu de bekentenis: qua plaatjes staat aan top de serie Sprookjes in beeld. Als ik aan een lievelingssprookje denk zie ik de illustraties uit die verrukkelijke, prachtig mooie ‘strips’ voor me. Het is vaak maar één beeld, maar dat is zo effectief als de madeleine dat voor Proust was. En als ik dan toch uit de school klap: mijn eerste kennismaking met de wereldliteratuur dank ik aan de ‘volwassen’ tegenhanger, de reeks Illustrated Classics. Doordat ik van beide series nooit meer een exemplaar heb teruggezien, kan ik de goede herinnering blijven koesteren (zie boven).
Terug naar de theekopjes. Het kan best dat mijn schoteltjes uit Sprookjes in beeld komen, maar dat kan ik niet controleren; toen ik het huis uit ging liet ik ook de lectuur van mijn jeugd achter. Wel was ik intussen nieuwsgierig geworden naar de oorspronkelijke tekst: wat stond daar? Op een handige vergelijkingssite viel te constateren dat a) er in het Deens tekopper staat, en b) dat alleen de Franse vertaling mij gelijk geeft: soucoupes zijn echt schoteltjes, geen theekopjes. De andere geven Teetassen, teacups, tazze di tè; de Spanjaarden maken er gek genoeg koffiekopjes van, tazas de café, maar dat komt misschien omdat zij geen thee drinken? Goed, voor de rest bleek ik veel van het verhaal vergeten te zijn, het voor de soldaat gelukkige einde was een verrassing, maar ook weer niks bijzonders: hij wordt koning, krijgt de prinses, en de ‘bruiloft duurde acht dagen en de honden zaten ook aan tafel en zetten grote ogen op’.
Ook een verrassing, maar dan een echte, was de inhoudsopgave van Sprookjes en verhalen. Zo veel onbekende titels! Ik kende slechts een handjevol, inderdaad de bekende, altijd in bloemlezingen opgenomen sprookjes: ‘De prinses op de erwt’, ‘Duimelijntje’ (hier foutievelijk Duimeliesje genoemd; feedback van sprookjeszus: ‘Ja, belachelijk, het is gewoon Duimelijntje!’), ‘De varkenshoeder’, ‘De sneeuwkoningin’, ‘De nieuwe kleren van de keizer’. En nog wel een paar, maar het meeste is nieuw. En wat zijn ze mooi, geestig, ontroerend ook vaak. ‘Het verhaal van een moeder’ is hartverscheurend, ‘De overschoenen van het geluk’ dolkomisch. Bijna elke zin is een genot om te lezen, zo onnadrukkelijk literair fraai dat je ze leest en herleest — en almaar strepen in de kantlijn zet om ze terug te kunnen vinden.
De vertaling van Annelies van Hees uit 1992 is voor de sjieke Perpetua-reeks herzien, zo is in de — wat magere — inleiding te lezen. Een nieuwe vertaling van een literair werk is altijd welkom, en handig is dat Van Hees gekozen heeft voor opname in chronologische volgorde; hierbij volgde ze de editie die Erik Dal bezorgde: H.C. Andersens Eventyr (7 vol., 1963-1990). Van Eedens vertaling geeft de sprookjes en verhalen in een niet verantwoorde volgorde, maar geeft er wel het jaar van onstaan bij. Behalve deze andere aanpak, en het feit dat Van Hees in de interpunctie ‘duidelijk en bewust afwijkt van het origineel’, om de leesbaarheid te bevorderen, lijkt het of zij wat vrijer met de tekst omgaat. Of, zoals zij het zelf formuleert: ‘[er] is getracht een zeker evenwicht te behouden tussen het respect voor de auteur en zijn teksten enerzijds en de verwachtingen van de moderne lezer anderzijds.’ Daar lijkt ze in geslaagd; één korte alinea als voorbeeld, het begin van ‘De rode schoentjes’:
Deens Der var en lille pige, så fin og så nydelig, men om sommeren måtte hun altid gå med bare fødder, for hun var fattig, og om vinteren med store træsko, så at den lille vrist blev ganske rød og det så grueligt. Van Eeden Er was eens een klein meisje, zo fijn en zo lief, maar ’s zomers liep ze altijd op blote voeten want ze was arm, en ’s winters op grote klompen, zodat haar wreef helemaal rood werd, en dat stond verschrikkelijk. Van Hees Er was eens een klein meisje, dat heel mooi en allersnoezigst was. ’s Zomers moest ze altijd op blote voeten lopen, want ze was arm, en ’s winters op grote klompen, zodat haar wreef helemaal rood werd. Heel akelig was dat.
Wie Van Eedens vertaling naast die in een aantal vreemde talen wil leggen moet eens gaan kijken op andersen stories. Maar ga zeker ook de sprookjes en verhalen in deze nieuwe, soepele(r) vertaling van Annelies van Hees lezen. Echt, ze zijn wonderschoon. En soms, immers, ‘blijven er alleen maar de sprookjes over om een en ander bevattelijk uit te leggen’, zoals de blogger van ’t vliegend eiland onlangs schreef.
NB Tip voor jury en uitgever: als voor een bestaande vertaling is gekozen, al dan niet herzien, pas dan eventueel voor- en nawerk eveneens aan. Niet alleen omdat kleine slordigheden — in de inleiding staat bijvoorbeeld dat de vertaling van W. van Eeden uit 1931 ‘al meer dan zestig jaar oud’ is, terwijl we inmiddels 20 jaar verder zijn — zo vermeden kunnen worden, maar vooral omdat nieuwe inzichten misschien de moeite van het vermelden waard zijn. Ook kan de vertaler dan aangeven uit welke ingrepen de herziening bestaat. Dat wil een lezer immers altijd weten. (MB) [omhoog]
[21] Aan de rand van de beschaving Bespreking van Lucas van Leyden en de renaissance (pdf)
 
Links: Dürer, Vaandeldrager, ca. 1501. Rechts: Lucas van Leyden, Vaandeldrager, ca. 1510
[20] ‘Heidensche Capellen’ Bespreking van Breken met het verleden (pdf)

Jan van Goyen, Gezicht op de Valkhofburcht in Nijmegen, 1641. In de hoogtijdagen, voor de afbraak in 1795.
[19] ‘Dus raakt de dood ons niet, hij heeft geen vat op ons’ Signalement van Lucretius, De natuur van de dingen / De rerum natura. Uitgegeven, vertaald en ingeleid door Piet Schrijvers. Historische Uitgeverij, Groningen 2011 (tweede druk). 17 x 24 cm, 612 blz., € 49,95
‘Dus raakt de dood ons niet, hij heeft geen vat op ons’, is niet alleen de beginregel van het slotdeel van Boek Drie (III.830-1094), maar ook de troostende conclusie die je er uit kunt trekken. En dat is, oneindig veel meer dan theorieën over de kleinste deeltjes of over natuurrampen, hoe spectaculair ook, wat mij het meest aantrekt in deze klassieke tekst. Dat ik daar niet alleen in sta weet ik van Montaigne, die hem vooral in Essays Boek I.12 uitgebreid citeert. Zijn exemplaar van De rerum natura, van talloze aantekeningen voorzien, is in 1989 boven water gekomen; M.A. Screech schreef er een uitputtend werk over: Montaigne’s annotated copy of Lucretius enz. (1998). Daarover later meer op montaigne.
 De Rerum Natura is een leerdicht in zes boeken, geschreven door de Romeinse schrijver en filosoof Titus Lucretius Carus (ca. 94 - 53 v.C.). Het is vooral deze tekst waardoor men de filosofie van Epicurus (341 - 270 v.C) nu nog kent, en waardeert. De fortuin was auteur noch werk echter gunstig gezind. Dat had alles te maken met een van de hoofdstellingen uit de epicureïsche leer, vrij vertaald: god bestaat niet, de materie heerst. Dat de christelijke Middeleeuwen hier niet zo van geporteerd waren mag geen verrassing zijn. Uit de Karolingische Renaissance zijn twee afschriften bekend die beide worden bewaard in Leiden (klik hiernaast voor een grotere afbeelding), naar de verschillende formaten waarin ze zijn overgeleverd codex quadratus en codex oblongus geheten. In 1417 heeft de manuscriptenjager Poggio Bracciolini ze herontdekt, waarna zij de basis van de Renaissance-uitgaven werden.
Waar gaat het boek over? Lucretius legt ‘een duistere zaak in heldere verzen / vast [...]’ en bestrijkt alles ‘met muzische bekoring’. De schrijver gaat daarbij te werk als een arts die een bitter drankje verteerbaar maakt door de ‘bekerrand [te] bestrijken met een zoete laag van gele honing’ (IV.8-13; dezelfde tekst eerder al in I.926-950). Welke duistere zaak moesten de lezers tot zich nemen? Nou, dat was nog niet zo eenvoudig. De apostel van Epicurus’ leer gaat in de eerste twee boeken uitgebreid in op de fysieke wereld, gevormd door eindeloos draaiende en botsende atomen, of liever: deeltjes. Boek drie en vier hebben de ziel tot onderwerp, evenals de vergankelijkheid daarvan, en de laatste twee boeken proberen de kosmos te verklaren. In de woorden van Schrijvers: de boeken een tot en met vier gaan over ‘atomen, lege ruimte, ziel, zintuigen’, de boeken vijf en zes over ‘kosmos, sterren en metereologische verschijnselen’ (p. 344). Voorwaar niet niks. Een korte introductie als die van, bijvoorbeeld, David Sedley in de onvolprezen Stanford Encyclopedia of Philosophy is dan ook onontbeerlijk voor enig begrip van (het belang van) de tekst.
Want dat is het gekke, de vertaler heeft in deze fraaie, tweetalige uitgave geen poging gedaan Lucretius en zijn werk samen te vatten, Dat wil zeggen: niet in zijn ‘algemene inleiding’ (zoals hij die zelf noemt op p. 537). ‘Lucretius, dichter en propagandist’, waarmee het boek opent, kan nauwelijks als een introductie op dit toch vrij ingewikkelde werk opgevat worden. Het is een bewerking van ‘Propagandic Strategies in Lucretius’ De rerum natura’, in de bundel Calliope’s Classroom. Studies in Didactic Poetry from Antiquity to the Renaissance (2007) — waaraan het zeker een waardevolle bijdrage zal zijn. Verwarrend is ook dat in deze ‘inleiding’ op een paar na geen van de geciteerde verzen uit De natuur van de dingen letterlijke aanhalingen uit deze vertaling zijn. Drie voorbeelden: pages in ‘gouden beelden van pages met flambouwen’ (inl. p. 23) is ‘knapen’ op p. 113; het tekstdeel ‘samen met anderen’ (inl. p. 24) heeft op p. 113 het ‘met anderen’ verloren; ‘sterven om een standbeeld en een naam’ (inl. p. 24) is op p. 195 geworden ‘komt men aan zijn eind om [enz.]’. Kwestie van redactie?
Maar dan: een stevig houvast wordt de lezer wél geboden in de inleidingen op de afzonderlijke boeken. In de vier à vijf pagina’s die deze steeds tellen wordt per boek aangegeven waar de belangrijkste zwaartepunten liggen. In sneltreinvaart komt veel relevante informatie voorbij. Stijl, inhoud, achtergrond, leidmotieven, sleutelbegrippen uit de epicureïsche leer, het waarom van sommige vertaalkeuzes: het wordt allemaal even helder neergezet en is ook voor een leek zeer goed te lezen. Wat mij betreft had Schrijvers kunnen volstaan met een Vooraf, en zijn artikel een plaats te geven in de beknopte bibliografie.
Eén redelijk pietluttige opmerking, en één vraag. Als de vertaler zichzelf héél voorzichtig op de borst slaat voor een taalvondst, verzwakt hij deze grappig genoeg vrijwel meteen: ‘Men neem wel aan dat de kwalificatie stolidi (1.641) die Lucretius aan de volgelingen en bewonderaars van Heraclitus toekent, op grond van de beginklank sto- verwijst naar de stoïcijnen (het woordspel is in deze vertaling weergegeven met “stomkoppen”; antieke polemiek is naar moderne maatstaven soms vrij hard en persoonlijk).’ Twee alinea’s verder: ‘De in regel 1.1068 gebruikte kwalificatie stolidi (stommelingen) duidt, evenals in 1.641, erop dat hij zich weer speciaal richt tegen de stoïcijnen’ (p. 37). De vraag: waarom spreekt Schrijvers in de (begeleidende) teksten steeds van atomen, terwijl dit begrip in de vertaling zelf niet voorkomt: ‘Lucretius [vermijdt] welbewust deze, als vreemd ervaren technische term (zoals ik ook zelf in zijn spoor het woord “atoom” in mijn vertaling bewust heb vermeden’(p. 34)?
De vertaling, waar Schrijvers ongetwijfeld ook veel (vertaal)plezier aan moet hebben gehad, leest als een trein en noodt steeds tot het toevoegen van eigen marginalia. Slechts één citaat hierbij, lang, want een opsomming (V.1159-1179):
De stakkers zien vaak niet hun eigen stommiteiten. Een zwartje is ‘honingkleurig’, een smeerpoets ‘naturel’, wie loenst heet ‘kleine Pallas, een zenuwpees ‘mijn hertje’, een kleine dwerg: ‘ma chère’ en ‘een en al esprit’, en een reuzin is ‘une merveille’, hooggeacht. Wie stottert, lispelt; discretie heeft wie nooit wat zegt, een felle, irritante klets wordt ‘fakkeltje’, een stakerig scharminkeltje wordt ‘lieveling’, een ander die zich half-dood hoest, heet ‘fragile’, eentje met bolle boezem: de godenmoeder zelve. Een stompneus heet dan ‘fauntje’, een diklip wordt ‘baiser’. Het gaat te ver om deze reeks nog voort te zetten.
Na de vertaling zelf volgt nog een receptiegeschiedenis van Lucretius in een notendop: ‘Schildknaap en tolk van Epicurus. Lucretius in Nederland’, zonder naam van de auteur maar ongetwijfeld van Piet Schrijvers. Aardig om er uit te leren dat Botticelli voor zijn Primavera mede geïnspireerd is door de Venus-hymne waarmee De rerum natura begint. En dat Karel van Mander in Het schilderboeck (1604) Lucretius ‘uitvoerig en deskundig’ parafraseert. Ook door ‘de eerste atomist’ Isaac Beeckman wordt Lucretius in diens Journal vaak geciteerd, ‘veel vaker dan Vergilius!’ Wat een opmerkelijke overeenkomst oplevert met Montaigne, bij wie dat eveneens het geval was; de stand in de Essais is 147 tegen 114.
Facit: door Montaigne (en Screech) enthousiast gemaakt kon ik De rerum natura nu dankzij Schrijvers in een mooie Nederlandse vertaling lezen. Horatius, eveneens door hem vertaald, is al uit de kast gehaald: nu ik de smaak te pakken heb gekregen zal het niet lang duren voordat hij gelezen teruggezet kan worden. (MB) [omhoog]
[18] Verloren illusies Bespreking van Geschiedenis van Deventer (pdf).

Een uitgebreide inhoudsopgave van het boek is wel handig.
[17] Letters, letters, letters Signalement van Letterfontein [over drukletters]. Geschreven, samengesteld en ontworpen door Joep Pohlen, met bijdragen van Geert Setola. Uitgeverij Fontana, Roermond 2009. 17 x 24,5 cm, 640 blz., € 49,50
Kan een boek met alleen maar letters qua ontwerp en opmaak (over de inhoud straks) overweldigend zijn? Ja, en hoe! Zelden heb ik me zó op elke bladzijde van een boek verlustigd aan letters. Eén letter, twéé, gradaties [1] van letters, letters in regular en italic, letters in verschillende corpsgrootten [2]. Opeens zag ik de verschillende vlaggen [3] van letters, ik weet inmiddels wat een vierhoekige schreef [4] is, en heb me te goed gedaan aan de prachtigste ligaturen [5]. Dit boek is letterlijk een feest voor het oog, nu eens niet door de afbeeldingen maar door (de afbeeldingen van) letters. Daarnaast is de opmaak bijzonder aantrekkelijk en leesbaar: zelfs als er wel vier of vijf vakken voor tekst, bijschriften, lettervoorbeelden en andere afbeeldingen op één pagina voorkomen blijft het beeld rustig. Door dit spelen met vormen lijkt elke pagina wel zijn eigen boek te zijn. Fraai is het rood, dat het zwart ondersteunt. Voor de kenner: de gebruikte lettertypes zijn de FF Profile en de FB Interstate Plus Condensed; het boek is gedrukt op de papiersoorten Munken Lynx en Fedrigoni Nettuno Panna, en voor de schutbladen is Cordenons Bakri bruin gekozen.
Letterfontein [over drukletters] is een handboek voor vormgevers en typografen, zoveel mag duidelijk zijn. Maar ook de geïnteresseerde lekenlezer biedt het veel: er is een schat aan kennis en materiaal over letters bij elkaar gebracht, die maakt dat je nooit meer met dezelfde ogen naar willekeurig welke tekst kijkt. Of, zoals de maker het in zijn Lectori Salutem uitdrukt:
[...] de regels die in vijfhonderd jaar tot stand zijn gekomen over leesbaarheid en typografie [mogen] ook op een bredere belangstelling rekenen. Deze sterk gewijzigde editie is daarom niet alleen nuttig voor mensen uit het vak, maar ook voor een nieuwe groep geïnteresseerden in typografie en lettertypes.
Of ik tot die doelgroep behoor kan ik niet zeggen, maar ik heb het boek verslonden. Joep Pohlen schrijft in een onopgesmukte stijl, met korte zinnen, en vermijdt jargon. Dat in deze pil slechts hier en daar een enkel (tik-)foutje is aan te treffen toont aan dat Pohlen zich niet alleen bezighoudt met de vormgeving, maar verder gaat in het verzorgen van zijn boek: ‘Wim Heijnen corrigeerde de teksten en controleerde de samenhang’, zoals hij in het colofon laat weten. Voor de tweede druk overigens is de hele tekst nog eens nagelopen, zodat zelfs die paar coquilles verdwenen zijn.
In het eerste deel beschrijft Pohlen de ontwikkeling van de westerse typografie. We vinden hier onder meer een tijdlijn die de belangrijkste technische vernieuwingen, gebeurtenissen, namen en lettertypes geeft, afgezet tegen parallelle stromingen in de schilderkunst die de typografie beïnvloed hebben. In ‘De letterfamilie onder de loep’ worden de in dit boek gebruikte termen verklaard: er zijn in de loop van de tijd nogal wat verschillende benamingen voor de diverse onderdelen van een lettertype bedacht, waardoor gemakkelijk verwarring ontstaat. Erg handig, dit overzicht. Daar heeft Pohlen niet alleen de studenten aan de academies en zijn vakbroeders een plezier mee gedaan, maar iedereen die in het boekenvak zit of dat een warm hart toedraagt. Voor mij was het een eye-opener, en dat geldt ook voor de meeste andere hoofdstukken in dit deel. ‘De anatomie van de letter’ bijvoorbeeld zou ik het liefst in zijn geheel citeren, zo interessant en herkenbaar tegelijk is de behandelde materie. Eén voorbeeld (voor een voorbeeld-pagina uit het boek is de breedte van deze kolom niet groot genoeg; zie daarvoor de website van de uitgever):
De eerste kapitalen De Romeinse Capitalis Monumentalis, de moeder van alle westerse kapitaal- of majuskelschriften [...], heeft een geometrische opbouw met het vierkant als basis. Dit is niet zo vreemd omdat de letters veelal gekapt werden in steen. De vormen werden dan eerst op de steen getekend. Passer, driehoek en lineaal vormden het gereedschap. Dit is duidelijk te zien in de opbouw van de letters op de zuil van Trajanus in Rome.

De Adobe Trajan [hiernaast], die door Carol Twombly getekend is en gebaseerd is op de inscripties op de zuil van Trajanus, laat de meetkundige opbouw zien waarmee de tekeningen op de stenen werden gemaakt voordat met het kapwerk werd begonnen.
Pohlen gaat uitgebreid in op maatsystemen en benamingen en op de classificatie van letters. De pogingen om de eindeloze hoeveelheid aan lettertypes in categorieën onder te brengen zijn slechts gedeeltelijk geslaagd. Ga je uit van de chronologie, van de vraag of een letter uit het handschrift is ontstaan, of let je bij de indeling vooral op vormverschillen? Hoe specialistisch deze hoofdstukken ook mogen lijken, de auteur zorgt er ook hier weer voor dat de lezer de weg niet kwijtraakt. Dat geldt voor alle teksten in dit deel, dat 220 pagina’s telt — de omvang van een boek op zich! Pohlen heeft duidelijk voor ogen waar zijn vakgenoten zich aan te houden hebben. Het voorlaatste hoofdstuk, ‘Typografische aanbevelingen’, begint hij als volgt:
Het doel van de typografie is driedelig. Allereerst is er het wekken van interesse om een tekst te lezen. Daarna komt het bevorderen van de leesbaarheid. En uiteindelijk bepaalt de typografie richting en tempo van het lezen.
Voor iemand die een boek uiteindelijk niet leest — hoe aantrekkelijk of interessant de inhoud ook is — omdat layout en letter haar niet bevallen, klinkt dit als muziek in de oren. Aan de leesbaarheid van een tekst schort het nog wel eens...
In het tweede deel laat Pohlen zien hoe je met letters aan die doelen kunt beantwoorden. Ze ‘tonen een beeld van de grote stilistische lijnen en technische ontwikkelingen in de typografische geschiedenis’. Korte introducties hier, verder geen tekst, alleen letters, letters, letters.
Letterfontein is behalve fascinerende lectuur ook een echt naslagwerk. Sla je het boek na vele uren lezen en vooral kijken dicht, en beklijft de opgedane kennis niet meteen? Geen probleem, want het derde en laatste deel bestaat uit maar liefst vier indexen en een glossarium, die het boek op een voortreffelijke wijze ontsluiten. Kortom, Joep Pohlen heeft een tien met een griffel verdiend voor dit boek over drukletters. De eerste editie verscheen in 1994, en in de afgelopen decennia heeft hij het gestaag uitgebreid. De tweede druk van deze vierde editie zal binnenkort ter perse gaan. Wees er op tijd bij en bestel het rechtstreeks bij de uitgever. Letterfontein verdient de grootst mogelijke verspreiding. De lezer van deze pagina verdient het een exemplaar te kunnen kopen. (MB)
Inmiddels [7 februari 2010] is bekend dat Joep Pohlen met zijn Letterfontein een ‘Certificate of Typographic Excellence’ heeft gekregen van de Type Directors Club New York. Deze club schrijft elk jaar een wedstrijd uit op het gebied van vormgeving en typografie. De winnende inzendingen gaan deel uitmaken van een tentoonstelling die begint in New York en vervolgens de wereld overgaat. Proficiat! Inmiddels [mei 2011] is Letterfontein in vier talen als Taschen-uitgave verschenen. Tot mijn verrassing [september 2011] bleek ik een van de geciteerde ‘readers’ in de pdf van 38 pagina’s die Taschen had gemaakt om het boek aan de man te brengen.
 |
[1] ‘Gradatie Vetheidsgraad of lettersoort van een lettertype, ook wel font genoemd.’ [2] ‘Corpsgrootte De grootte van het letterbeeld in verticale richting tussen het hoogste punt van de stokletters en het laagste punt van de staartletters, meestal uitgdrukt in punten.’ [3] ‘Vlag Onderdeel van een letter. Hiermee wordt het vanuit een boog uitstekende deel bedoeld aan bijvoorbeeld de letter “f” en de letter “r”.’ [4] ‘Vierhoekige schreef Omschrijving van de schreefvorm van de egyptiennes waarbij de schreven even dik zijn als de lijnen in de letter.’ Egyptiennes? Zelf opzoeken in Letterfontein. [5] ‘Ligaturen Vaste lettercombinaties die zijn ontworpen om lelijke overlappingen van lettertekens die elkaar kunnen raken in normaal zetwerk te vermijden.’ [omhoog]
[16] ‘Een passende blijk van waardering’ Signalement van Boek & Letter. Boekwetenschappelijke bijdragen ter gelegenheid van het afscheid van prof.dr. Frans A. Janssen als hoogleraar in de Boek- en bibliotheekgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Onder redactie van Jos Biemans, Lisa Kuitert & Piet Verkruijsse. Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam 2004. 11,5 x 18 cm, 688 blz., € 40,-
 Uitgeverij De Buitenkant heeft een aantrekkelijk fonds voor liefhebbers van boeken over boeken. Ga naar haar site, klik op Boekgeschiedenis en... houd de hand op de knip als je tenminste niet in één keer door je boekenbudget wilt zijn. Erg sympathiek en bepaald ‘on-Hollands’ is haar strategie om boeken niet na een maand of wat al in de ramsj te doen. Zo zijn bijvoorbeeld Brongers Boekwoorden woordenboek en Van pen tot laser. 31 opstellen over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches, beide uit 1996, nog steeds verkrijgbaar, evenals Allemaal flauwekul en andere typografische notities, dat zelfs uit 1989 dateert. Tien met een griffel.
In Boek & Letter, uit 2004, kreeg Frans A. Janssen (1939) een ‘passende blijk van waardering’ vanwege zijn verdiensten voor de boekwetenschap. Dat deed hij onder meer door de herdruk van Schooks Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors van een inleiding en een register te voorzien (1981), door een nieuwe uitgave te bezorgen van David Wardenaars Beschrijving der Boekdrukkunst uit 1801 (1986), en met talloze andere bijdragen op het terrein van de boekgeschiedenis, typografie en bibliografie. Na in 1989 zijn oratie uitgesproken te hebben werkte Janssen vijftien jaar als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, en was hij tevens directeur van de beroemde Bibliotheca Philosophica Hermetica.
Liefst achtentwintig auteurs, vrijwel zonder uitzondering bekende namen in de boekwetenschap, hebben een bijdrage geleverd aan het boek. Op onderwerp chronologisch geordend, van een artikel over Antonio Sinibaldi (1433 - ca. 1500) tot een overpeinzing over de ‘Nieuwe letterkunde’ in de twintigste eeuw, levert de bundel ‘een evenwichtige verdeling over vijf en een halve eeuw boekdrukkunst’. Een willekeurige greep uit de inhoud laat wat van dat moois zien:
Claudine A. Chavannes-Mazel, ‘Aristoteles in Amsterdam: het handschrift XV D 6, Vittoria Colonna en de vertaling van Johannes Argyropoulos voor paus Sixtus IV. Onverwachte en onopgeloste vragen’; Margareth M. Smith, ‘The pugillary of Lazzaro de' Soardi and the “littera galante”: more rivals to the Aldine classical octavo in italics’; Paul Dijstelberge, ‘Drukkers in landschap’; Frank van Lamoen, ‘Hermes in het licht van de rede. De cartesiaanse hermetica van Reinier de Graaf (1674-1717)’; Eva Hanebutt-Benz, ‘Geschichte — selbstgemacht? Gedanken zur musealen Präsentation früher Druckgeschichte anhand der sog. Gutenberg-Pressen’; Cis van Heertum, '“Schöne Buch-Stunden”: the correspondence between Walter Pagel and Gershom Scholem’.
Het boek, gebonden en met leeslint, is aantrekkelijk vormgegeven. Formaat, papier en vormgeving: alles draagt bij aan een plezierige leeservaring. Het papier is aangenaam zacht voor de ogen, de letter — TIFF Lexicon 1 van Bram de Does — is helder en door de gebruikte corpsgrootte leesbaar zonder loep, en, heel belangrijk: de noten staan onder aan, dat wil zeggen op dezelfde pagina. Verantwoordelijk hiervoor is Chang Chi Lan-Ying, die voor opmaak en zetwerk tekende. Er is wat mij betreft maar één minpuntje: de marges rond de zetspiegel zijn zo gering dat het maken van aantekeningen onmogelijk is. Gezien het formaat van het boek kon dat niet anders, maar toch: zo’n boek vráágt om krabbels in de marge. [MB] [omhoog]
[15] Bespreking van The Hours of Catherine of Cleves (pdf)

Het fragment uit Mariken van Nieumeghen waarmee deze bespreking opent, is te beluisteren door op het icoontje te klikken.
De tekst is ingesproken door Piet Offermans; Ensemble Terpsichore speelt de ‘Pavane’ van Pierre Attaingnant, uitgevoerd in september 1988. [omhoog]
[14] Rijk geïllustreerd boek Utrechtse manuscripten Over Beeldschone boeken. De Middeleeuwen in goud en inkt. Uitgave bij de gelijknamige tentoonstelling. Micha Leeflang e.a. ed. Waanders Uitgevers, Zwolle, i.s.m. Museum Catharijneconvent, Utrecht, 2009. 23,5 x 28,5 cm, 160 blz., € 29,95

‘[...] De restanten geven ons echter een goed beeld van welk een schat aan boeken — van eenvoudig tot beeldschoon — er in Utrecht is geproduceerd met pen, inkt en penseel door de vele schrijvers, kopiisten, illustratoren en verluchters die de stad ooit rijk was.’
Deze omschrijving uit de bijdrage van Marta Bigus en Bart Jaski lijkt haar weg te hebben gevonden naar de Inleiding:
‘Middeleeuwse manuscripten en vroege drukken zijn geliefde en kostbare verzamelobjecten voor zowel particuliere liefhebbers als bibliotheken en museale instellingen. Maar ook van gewone boeken — van eenvoudig tot beeldschoon — kan menigeen genieten.’
De derde en laatste keer dat het woord voorkomt is als het penwerk van een manuscript ‘beeldschoon’ wordt genoemd. Het mag een wonder heten dat het niet vaker gebruikt is, want zowel het boek zelf als zijn onderwerp zijn van een grote schoonheid. De vormgevers hebben blijkbaar carte blanche gekregen van de uitgevers, want niet alleen maakt de opmaak het bladeren en lezen tot een groot genoegen (alle lof!), er is ook veel plaats ingeruimd voor vaak paginagrote, zeer goede reproducties van de mooiste bladen uit de Utrechtse boekenschat. Bladgoud en -zilver spátten van de bladzijden.
 |
Beeldschone boeken bespreekt de boekproductie van Utrecht in met name de veertiende en vijftiende eeuw. Utrecht was de zetel van machtige bisschoppen, en de aanwezigheid van een kapitaalkrachtige geestelijkheid, rijke adel en welgestelde burgers schiep een klimaat waarin de kunstproductie goed gedijde. De stad groeide uit tot ‘dé culturele hoofdstad van Noord-West Europa’. Toch konden ook hier alleen de zeer gefortuneerden zich een boek veroorloven: de materiaalkosten — perkament, verfstoffen, goud en zilver, bindwerk — waren hoog. Een riches heures toonde de status en rijkdom van de opdrachtgever; voor de kerken en kloosters was het woord gods heilig, en daarmee het boek als artefact kostbaar. Pas later kwam de kapitaalkrachtige burger als opdrachtgever in beeld.
Na een Voorwoord en een Inleiding wordt de lezer aan de hand van vier thema’s door het boek geleid: I. Handgeschreven. Monniken aan het werk; II. Handgemaakt. Ambachtslieden aan het werk; III. Handgeschilderd. Miniaturisten aan het werk; IV. Handgedrukt. Boekdrukkers aan het werk. Samenvattingen in het Engels, een register, bibliografie en verklarende woordenlijst sluiten het af.
De teksten zijn wisselend van omvang en diepgang, de afbeeldingen zijn zonder uitzondering schitterend: zelfs al zou je geen letter lezen in dit boek, dan ben je altijd nog een schoonheids-ervaring rijker. Maar het is raadzaam dat eerste wel te doen. In zeven bijdragen worden achtereen-volgens (I.1 en I.2) de historische context geschetst en de eerste met zekerheid in Utrecht gemaakte handschriften besproken. Deze kenmerken zich vanaf de veertiende eeuw door een draakje, vaak uitgevoerd in rood en blauw penwerk. Van sober werd de boekdecoratie steeds verfijnder, en Utrechtse kloosters als Novalux en die der regulieren, centra van de boekproductie, moesten uiteindelijk ambachtslieden aan het werk zetten om aan de groeiende vraag naar fraai uitgevoerde boeken te voldoen.
Bij het woord verlucht zal menigeen denken aan geïllustreerd, verfraaid, van afbeeldingen voorzien. Aardig is dan de definitie die A. As-Vijvers er in haar — heldere en informatieve — bijdrage (II) van geeft: ‘Het woord verluchten duidt op het “verlichten” van het manuscript door de weerschijn van bladgoud en -zilver.’ Een sprekend voorbeeld is de afbeelding hiernaast, waar het goud de initiaal inderdaad van binnenuit lijkt te verlichten.
De vervaardiging van een handschrift was niet alleen een kostbaar, maar ook arbeidsintensief proces. De makers moesten er hun hoofd goed bijhouden. Voor het verkrijgen van perkament bijvoorbeeld moest een dierenhuid eindeloos afgeschraapt worden, net zo lang tot alleen de lederhuid overbleef. ‘Een zorgvuldig werkje’, schrijft As-Vijvers, ‘want een verkeerde beweging kon een gat in de huid veroorzaken.’ Waar de kopiist dan gewoon omheen schreef (links):
 
De concentratie die de afschrijvers moesten opbrengen loog er ook niet om. Zo werkte ene Jacobus van Enckhuysen maar liefst twaalf jaar aan een bijbel — die de opdrachtgever overigens een bedrag kostte waarvoor hij ook ‘twee statige kapittelhuizen’ had kunnen kopen. Gelukkig was er de corrector: als de schrijver een paar regels tekst vergeten was, voegde hij die later in de marge weer toe, rood omlijnd, zodat er geen misverstand kon ontstaan over de status ervan (rechts).
Het derde thema neemt, niet verwonderlijk, het grootste gedeelte van het boek in beslag. In drie bijdragen komen de — al dan niet bij naam bekende — miniaturisten aan bod: zij hebben Utrecht tot een van de belangrijkste centra van de manuscript-productie gemaakt. Aan opdrachtgevers geen gebrek. Behalve geestelijken, zoals we zagen, waren het vooral edelen die boeken bestelden. Vanuit Den Haag, waarnaar het hof van de Hollandse graven zich in de tweede helft van de veertiende eeuw verplaatst had, bereikten steeds meer opdrachten de meesters in en rond Utrecht. Kathryn M. Rudy gaat in haar bijdrage vooral in op de verschillende soorten teksten en gebruikte technieken (III.1).
Saskia van Bergen doet in ‘Boeken voor de anonieme markt’ (III.2) hetzelfde, maar richt zich hierbij op de stedelijke ambachtslieden, die een deel van het monnikenwerk overnamen. Het beoogde publiek verbreedde zich: ook rijke burgers konden zich steeds vaker een boek veroorloven. Dat werd meestal een getijdenboek, ‘dé bestseller van de late Middeleeuwen’. Toen onderdelen van de productie gestandaardiseerd waren, werden boeken niet alleen meer in opdracht vervaardigd maar ook voor een ‘anonieme markt’. Persoonlijke devotie en studie hadden het boek tot een gebruiksvoorwerp gemaakt, zoals de hiernaast afgebeelde miniatuur in een getijdenboek illustreert: ‘Mogelijk is de beschadiging ontstaan doordat de lezer Maria en kind (meerdere malen) heeft gekust.’ Dat boeken óók prestigeobjecten bleven, laat Micha Leeflang letterlijk en figuurlijk zien (III.3).
Beeldschone boeken is een toegankelijk boek voor een breed publiek. De teksten geven een beeld van wat er komt kijken bij het vervaardigen van een handschrift of boek, zij voorzien de besproken manuscripten van een historische context en expliciteren de getoonde miniaturen. Maar het zijn die laatste, de illuminaties, die naar de geldbuidel moeten doen grijpen: ze zijn, in dit fraai vormgegeven boek, stuk voor stuk de stuivers waard. [MB]
Illustraties, uit besproken boek: 1. Afb. 61, detail uit het getijdenboek van Kunera van Leefdael, Utrecht, ca. 1415. 2. Afb. 64, detail uit een getijden- en gebedenboek, Utrecht, ca. 1420. 3. Afb. 24, initiaal uit het Registrum epistolarum, Utrecht, ca. 1460-1470. 4. Afb. 95, initiaal uit een getijden en -gebedenboek, omgeving Meester van Catharina van Kleef, Utrecht, ca. 1440-1450. 5. Afb. 33, detail uit een missaal van de kerk te Hellum, Utrecht, Groningen of Münster, ca. 1150-1200. 6. Afb. 42, detail uit een getijden- en gebedenboek, Utrecht, ca. 1430-1450 7. Afb. 103 (ook afb. 78), detail uit een getijdenboek, schrift Zuidelijke Nederlanden, decoratie en penwerk Engeland, ca. 1440-1460, ingevoegde miniatuur Antonis Rogiersz. Uten Broec. [omhoog]
[13] ‘Vervalst wordt alleen waar vraag naar bestaat’ Over Wim Zaal, Valsheid in geschriften. Literaire vervalsingen en mystificaties. Uitgeverij Aspekt, Soesterberg 2009, 222 blz., € 19,95
‘Vervalst wordt alleen waar vraag naar bestaat’, stelt Wim Zaal meteen al op een van de eerste bladzijden. En dan gaat het bij boeken en documenten meestal niet om geld, zoals bijvoorbeeld in de schilderkunst, maar om passie. Liefde bijvoorbeeld, jaloezie, machtshonger, gramschap, en natuurlijk de hang naar eeuwige roem. Zaals vlotte pen voert je in sneltreinvaart langs vele van de bekende literaire mystificaties en vervalsingen. Zo ontbreken natuurlijk niet de Donatio Constantini, waarop de pausen hun wereldlijke macht baseerden, de valse briefwisseling tussen Abélard en Héloise — of zijn hun hartstochtelijke ontboezemingen toch authentiek? —, het complot van de Wijzen van Sion en hun Protocollen, waaruit zou blijken dat de joden uit waren op de wereldmacht, en de beroemde schijncatalogus van Fortsas, die bibliofielen ooit het water in de mond deed lopen. Ze staan er allemaal in, samen met minder bekende spookgeschiedenissen — en een enkele keer ook minder tot de verbeelding sprekende.
Zaal vat de soms behoorlijk ingewikkelde zaken helder samen, en doordat een notenapparaat ontbreekt kun je lekker doorlezen. Dat heeft natuurlijk ook een schaduwzijde: zo valt, bij gebrek aan verwijzingen, niet te achterhalen waar bepaalde uitspraken vandaan komen. Shakespeare zou bijvoorbeeld gezegd hebben dat zijn ontleningen ‘dochters [zijn] die ik uit een slecht gezelschap weghaal om ze een goed gezelschap binnen te leiden’. Waar heeft hij dat gedaan? De korte literatuurlijsten (per hoofdstuk; titels niet cursief: lastig lezen) helpt je niet verder. Maar dat is het enige minpuntje in een heerlijk leesboek.
Ik was niet verrast Voltaire aan te treffen. Je zou hem de ongekroonde koning van de achttiende-eeuwse falsificaties kunnen noemen (doch zie ook Ireland), met de tientallen pseudoniemen waarvan hij zich bediende. En als dat zo uitkwam loog hij dat het gedrukt stond. Van artikel zus of zo, ooit door hem geschreven maar inmiddels niet meer passend in zijn filosofie, beweerde hij glashard dat een ander het had gefabriceerd. Daar staat tegenover dat dat laatste ook inderdaad gebeurde: zijn naam werd veelvuldig geleend, want waar Voltaire op stond werd verkocht. Een enkele keer ging het dus wel degelijk om de pecunia.
Schrijnend is het geval William Henry Ireland (1775-1835). Nadat deze thuis ‘een overdosis Shakespeare’ had moeten slikken, maakte hij met grote vaardigheid allerlei documenten die van Shakespeare’s hand zouden zijn of anderszins met hem te maken hadden. Alhoewel de jongen bang was dat zijn bedrog zou uitkomen, stond zijn vader op publicatie. Dat kwam er uiteindelijk ook van:
William Henry Ireland, Miscellaneous papers and legal instruments under the hand and seal of William Shakespeare: including the tragedy of King Lear and a small fragment of Hamlet, from the original MSS. In the possession of Samuel Ireland, of Norfolk Street. London: printed by Cooper and Graham, 1796.
Ireland nam ook afbeeldingen op in de verzameling: bijvoorbeeld Shakespeare als toneelspeler (hij bewerkte daartoe een bestaande afbeelding), en (hiernaast) diens wapen. Door Katy Sambrook ‘one of the most audacious and celebrated literary forgeries in history’ genoemd, had hij hiermee wél zijn vader gelukkig gemaakt, de Londense graveur en broodschrijver Samuel Ireland. Je kunt de jonge jongen nauwelijks een boef noemen, zoals zijn collega-fraudeurs in geschriften dat zijn. William Henry verlangde wanhopig naar de liefde en het respect van zijn vader — alles volgens Zaal — en voorzag hem daartoe van steeds weer nieuwe, zogenaamd bij een ‘deftig heer’ opgeduikelde shakespeariana. Of het hem de zo gewenste waardering opleverde is niet bekend, maar vader schonk hem in elk geval de sleutels van zijn boekenkast. Zaal: ‘Diep geroerd gaf de jongen de sleutels terug. “Dank u, sir. Ik kan niets aannemen.”’
Zaal kan het uitstekend vinden met zijn onderwerp, en het anekdotische karakter van zijn boek verhoogt het leesgenot. Voor niet-ingewijden is zijn boek een uitstekende introductie, voor adepten een plezierige herhaling van zetten. Zonder meer aanbevolen. [MB] [omhoog]
[12] Twee plaatjes van boeken Nescio - Joost Swarte (2007), en De omslagen van de Salamanderpockets 1958-1996 (2009) [niet in de boekhandel verkrijgbaar]

Drukkerij Lenoirschuring heeft twee bijzonder fraaie uitgaven verzorgd (als pdf van hun site te downloaden). Het eerste verscheen in 2007: Paul Hefting, Nescio - Joost Swarte. Veel lof verdienen (ook) de ontwerpsters, Annelys van der Vet en Samantha van der Werff, voor de speelse wijze waarop ze de opmaak ter hand genomen hebben. Tekst en illustratie sluiten naadloos op elkaar aan. Erg mooi.
De omslagen van de Salamanderpockets 1958-1996, met twee informatieve en goed geschreven teksten van Ton Anbeek en Paul Hefting, verscheen in april 2009 ter gelegenheid van de gelijknamige tentoonstelling. Het omslag hierboven afgebeeld is voor mij de typische Salamander. Een verrukkelijk bladerboek. [MB] [omhoog]
[11] Wierook, gomhars, aloë, drakenbloed en Armeense klei Signalement van De thesaurus van Gramsbergen. Een 17de-eeuws medisch handschrift ontsloten. Transcriptie en vertaling: Dr. Ed.E. Kemperman. Redactie Dr. A.I. Bierman e.a. Een uitgave van de IJsselacademie, Kampen 2009. 27 x 22 cm, 372 blz., incl. cd-rom, ISBN 978-90-6697-200-1, € 39,95
‘[*] pilule lapis [...] vor pese dr[...] vor me[l]a[...] vor zider des herz’
Bovenstaande regels uit De thesaurus van Gramsbergen, een Arzenibuch locis Afectis oftewel een Medisch handboek over aandoeningen (p. 47, folio 2), zien er in het oorspronkelijke, zeventiende-eeuwse handschrift zó uit (fragment):
De betekenis van regel een en drie valt nog wel te bedenken, maar wat maak je van de middelste? Ed. E. Kemperman vertaalde het fragment aldus (de asterisk verwijst naar een (aan)tekening in de marge, in dit geval de letter A):
‘Pillen van lapis lazuli [zijn goed] voor boze dromen, voor melancholie en voor trillen van het hart.’
Typisch een geval van slordige en snelle artsenkrabbels? Vast, maar dat niet alleen. Ook door zijn herkomst (Duits-Nederlandse grensstreek) en de slechte staat waarin het verkeerde moet het een hels karwei zijn geweest dit handschrift te transcriberen en in modern Nederlands om te zetten — zelfs voor een al ‘tientallen jaren verwoed paleograaf met een levenslange zeer bovengemiddelde interesse in en kennis van (klassieke) talen’, zoals Kemperman in het ‘Vooraf’ door zijn zoon omschreven wordt.
De thesaurus van Gramsbergen (de titel is van Kemperman) werd in 1987 aangetroffen op de boerderij Docters in de buurtschap Den Velde bij Gramsbergen. Nadat de cisterciënzers van de Abdij van Sion het manuscript hadden gerestaureerd ging Kemperman aan de slag: tussen 1994 en 2000 heeft hij de 350 bladzijden omgezet in voor ons leesbare tekst en deze van een glossarium voorzien. Het verschijnen van De thesaurus heeft Kemperman niet meer mogen meemaken, hij stierf in 2004.
Een uitgebreid team van specialisten, in samenwerking met de IJsselacademie, heeft zijn werk echter voor de vergetelheid behoed, en daarmee dat van de oorspronkelijke auteurs: Jodocus Ginck, diens zoon Pelgerem, en een derde, onbekende scribent. Alle drie waren zij heelmeester, en in het in 1608 door Jodocus begonnen aantekenboek noteerden zij zaken die zij van belang achtten voor hun praktijk. Dat betekent dat er recepten tegen alle mogelijke ziekten en kwalen in staan, talloze kruiden, dierlijke producten en mineralen worden beschreven, en dat de schrijvers hun kennis van het menselijk lichaam — én van de geest, zoals uit bovengenoemd voorbeeld blijkt — hebben opgetekend. Een blik in de ‘Leeswijzer’, een van de vele extra’s in dit boek (daarover straks meer), toont aan dat ook toverij en magie nog tot de praktijk van de zeventiende-eeuwse heelmeester behoorden. Het is moeilijk de verleiding te weerstaan veel te citeren, maar ik houd het hier bij één voorbeeld, het begin van de transcriptie en de hele vertaling (p. 74, folio 37):
‘So einem sein Ror vor sprochen Ist oder an gethon Ist dat er keine gewissen schuz tun kan’
‘Wanneer iemands geweer “besproken” is of zodanig beïnvloed dat hij geen zeker schot kan lossen. Dan gaat hij naar een eikenboom of een jong eikenboompje, ongeveer drie duim dik of zo dik dat men hem kan klieven. Klief hem van onder tot boven, niet helemaal tot aan het einde, zodanig dat u hem uiteen kunt buigen als de pees van een boog. Steek het gespannen geweer daar driemaal tussendoor “In de naam van de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest.” Als u er driemaal tussendoor gegaan bent, kniel dan op uw geweer en spreek negen maal een Onze Vader, negen maal Wees Gegroet en vijf maal Ik Geloof P W E’
Het gaat hier om een uniek handschrift, ook al omdat er uit de eerste helft van de zeventiende eeuw nauwelijks vergelijkbare documenten zijn overgeleverd. Het zou echter van ellende uit elkaar zijn gevallen, tot stof vergaan en dus onbekend zijn gebleven als niet een aantal factoren dit verhinderd had. Om te beginnen: het ‘doktersboek’ is altijd bewaard door de familie Grimmerink, gedurende eeuwen bewoners van de erve Docters; van het bestaan ervan weet de buitenwereld sinds de ‘vondst’ door de heemkundige H. Slatman; velen hebben hun deskundigheid en ervaring ingezet om het manuscript te behouden en toegankelijk te maken, en ten slotte: dat laatste is ook, voor iedereen die dat wil, gebeurd.
In De thesaurus van Gramsbergen vinden we niet alleen een transcriptie en hertaling van het handschrift; deze maken het middendeel van het boek uit. Het eerste deel bestaat uit een aantal grondige en zeer leesbare inleidingen, die de oorspronkelijke tekst van de nodige historische, medische, taalkundige en codicologische achtergonden voorzien. Deel 3, ‘Ingangen en bronnen’, biedt de lezer nog meer hulp via een begrippenlijst bij de vertaling, één bij de transcriptie, een leeswijzer, en tot slot een index op de vertaling. Bronnen, literatuurlijst en noten sluiten dit deel af. Dit is uitgeven! Het geheel is daarbij fraai vormgegeven, in oblongformaat, op zwaar, glanzend papier.
Kan het nog fantastischer? Ja. Want de uitgever levert hier ook nog eens een cd-rom bij, met daarop onder meer foto’s van alle folio’s en een pdf van de hele uitgave! Kopen gewoon, dit mooie en leerzame boek. De IJsselacademie heeft een uniek handschrift op een werkelijk voortreffelijke wijze ontsloten. Het maakt nieuwsgierig naar haar andere uitgaven. [MB] [omhoog]
[10] Bespreking van Boekenwijsheid (pdf)

Over de vraag of de STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands) ‘voltooid’ is of niet zijn de meningen verdeeld. Maar er is feest gevierd, een tentoonstelling ingericht, en een boek uitgegeven: Boekenwijsheid. Drie eeuwen kennis en cultuur in 30 bijzondere boeken. Samenstellers Jan Bos en Erik Geleijns besluiten hun inleiding aldus: ‘Boeken waren en zijn een waardevol bezit. In boeken ligt opgeslagen wat mensen wisten en wat mensen dachten, wat ze mooi vonden en waar ze zich druk om maakten. Het bewaren, lezen en genieten van boeken is wijsheid. Boekenwijsheid.’ [omhoog]
[9] ‘Monument to a past love’ Over Voices and Visions. The Koopman Collection and the Art of the French Book. Paul van Capelleveen, Sophie Ham, Jordy Joubij. Compiled by Clemens de Wolf & Paul van Capelleveen. Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, en Zwolle, Uitgeverij Waanders, 2009, 24 x 30 cm, 208 blz., ISBN 978 90 400 8531 4, € 59,95
 
Bibliofiele verhouding Op de website van de Koninklijke Bibliotheek is een digitale expositie te zien van zo’n 200 boeken uit de Koopman Collectie, die nu meer dan 9800 delen telt. Het begon allemaal met Louis Koopman (1889-1968) en Anny Antoine (1899-1933), die elkaar in november 1925 ontmoetten op een bijeenkomst van de Alliance française in Den Haag. Hier had de jonge Belgische haar domicilie gezocht, na in Antwerpen en Parijs gewoond te hebben, waar zij onder meer als lerares Frans werkzaam was. Louis Koopman was directeur van een bedrijf dat medische apparatuur maakte.
Wat hen van meet af aan bond was de liefde voor de Franse twintigste-eeuwse literatuur in luxe-edities, en voor de zogenoemde livres d’artiste of kunstenaars-boeken. Het was het begin van een bibliofiele verhouding, zou je kunnen zeggen, die zes jaar later, op 25 december 1931, bezegeld werd door een verloving. Een dodelijk ongeluk maakte in juni 1933 een eind aan Anny’s en daarmee aan dit gezamenlijke leven van verzamelen. Koopman ging in zijn eentje door, en de eerste schenking aan de Koninklijke Bibliotheek werd al in 1934 gedaan. Dankzij het Fonds Anny Antoine / Louis Koopman kan de KB deze collectie nog steeds uitbreiden.
Rabelais en Derain Begin 2009 kon de KB zo een heel fraaie uitgave verwerven, die ik hier met name noem omdat het gaat om een uniek exemplaar van Rabelais’ Pantagruel, in 1943 na jarenlange voorbereiding verschenen bij de Zwitserse uitgever Skira.
Wat deze uitgave zo bijzonder maakt, zijn de met de hand gedrukte kleuren-houtsneden — wat overigens élk van de 275 gedrukte exemplaren tot een unicum maakt — van André Derain (1880-1954). Heel speciaal is echter diens handgeschreven opdracht aan de echtgenote van de uitgever, Rosa Bianca Skira, die ook nog eens vereerd werd met achttien toegevoegde, originele pentekeningen. [NB Helaas zijn er op het web geen goede afbeeldingen van Derains Rabelais-prenten te vinden; onze galerie Rabelais-illustratoren zal het zonder hem moeten stellen.]
De website en het boek Op de website van de KB worden afbeeldingen uit de verzameling vergezeld van teksten die in hun bondigheid een schat aan informatie bevatten over boek, auteur, kunstenaar, uitgever en drukker. Je komt er ontzettend veel te weten over de wereld van het Franse luxeboek, vanaf 1890, en die is fascinerend — zeker voor iemand die in zijn dagelijks leven vrijwel uitsluitend non-fictie leest en minder op de vorm let dan op de inhoud.
De digitale expositie is onderverdeeld in negen tijdvakken, maar kan ook alfabetisch doorzocht worden op onder andere auteurs, kunstenaars en boekbinders, en is daarmee zeer goed ontsloten. De uitgebreide informatie en talloze afbeeldingen bieden een aantrekkelijk beeld van de Koopman Collectie en maken een bezoek aan de site meer dan de moeite waard. Voor biografische informatie over de grondleggers van de verzameling en over bijvoorbeeld het genre van de kunstenaarsboeken (hieronder een gouache van Sonia Delaunay in Tristan Tzara’s Le fruit permis, 1956) kan men er uiteraard ook terecht. Maar het door Waanders voorbeeldig uitgegeven Voices and Visions mag in geen enkele (huis-)bibliotheek ontbreken. Je kunt uren bladeren in het boek, dat vele, schitterend gereproduceerde afbeeldingen telt. Het informatiegehalte van de begeleidende teksten is ook hier hoog. Niet vreemd, want het betreft de ‘printed version of a selection from the website’ (colofon). Maar dat doet er niet toe; er gaat immers niets boven een papieren uitgave. Hoe rijk aan bronnen internet ook is, hoe fraai de gedigitaliseerde manuscripten, teksten, boeken en afbeeldingen ook zijn: je kunt ze niet voelen, niet ruiken, er niet in bladeren, ze tussen de eigen boeken zetten.
Daarom verdienen Clemens de Wolf en Paul Capelleveen, de samenstellers van het op 4 maart 2009 in Parijs ten doop gehouden (Franse versie van) Voices and Visions, alle lof. Zij hebben een deel van de door Antoine / Koopman verzamelde en later door de KB aangevulde schoonheid onder het bereik gebracht van iedereen die uiteindelijk liever een boek in handen heeft dan naar een scherm tuurt. Of, zoals Larry McMurtry in zijn Books: A Memoir (2008) schrijft: ‘Everyting there is to know about a given volume may be only a click away, but there are still a few of us who’d rather have the book than the click.’
Over hun keuze zeggen De Wolf en Capelleveen: ‘We have selected, usually, but not always, the most beautiful editions; inspirational books which readers find exiting for their text, illustrations, design, shape, colour or material. We have taken into account the collecting habits of Louis Koopman and his special preference for a special copy or author, or for a specific handwritten dedication.’ Het zijn zesentachtig ‘hoogtepunten’ geworden, waaruit hier een eigen — noodgedwongen beperkte — selectie volgt.

Maurice Sandoz, La maison sans fenêtres. Illustrations par Salvador Dali. Paris, Pierre Seghers éditeur, 1949 [Koopm A 109].

Pierre de Ronsard, Livret de folastries etc. Avec les eaux-fortes originales d’Aristide Maillol. Paris, Chez: Ambroise Vollard, 1938 [= 1940] [Koopm L 492]
Paul Verlaine, Fêtes galantes, 1942. Ill. de Dignimont. Paris, Creuzevault, 1942 [Koopm L 129]
Jean Giradoux, Combat avec l’image. Dessin de Foujita. Paris, Éditions Émile-Paul Frères, 1941 [Koopm A 744]
Gérard Fromanger, Le peintre et le modèle. [Une introduction et onze textes de] Alain Jouffroy. Bruxelles, Galerie Espaces 2000, Editions SIDA, 1973 [Koopm E 48]
De ruim 9800 titels in de Koopman Collectie, ‘this monument to a past love’, zijn in de KB in te zien. Maar er valt al veel te bewonderen in het prachtige, op elke pagina verrassende Voices and Visions. [MB] [omhoog]
[8] Van imitatio tot plagiaat Over Paul J. Smith, Réécrire la Renaissance, de Marcel Proust à Michel Tournier. Exercises de lectuur rapprochée. Amsterdam / New York, NY, Rodopi, 2009, 224 blz., € 45,-

Auteurs & thema’s De artikelen die in deze bundel zijn samengebracht, hebben als gemeenschappelijk thema het voortleven van de renaissance in de Franse letteren van de twintigste eeuw. Smith onderwerpt teksten van een negental auteurs aan een nauwgezette lezing. Hij bestudeert de aanwezigheid van Rabelais in Perecs La Vie mode d’emploi, en bespreekt François Bon als ‘rabelaisien’. Sporen van Montaigne zoekt én vindt hij in A la recherche du temps perdu en in Voyage au bout de la nuit.
Smith beperkt zich echter niet tot deze grootheden van de zestiende-eeuwse Franse literatuur, maar laat zijn licht ook schijnen over een aantal thema’s die in de renaissance geliefd waren. In ‘René Char élémentaire et ornithologue’ houdt hij zich bezig met de oude theorie van de vier elementen; in het artikel over Ponge gaat hij in op diens maniërisme; de mythe van de ‘Wandelende Jood’ komt aan de orde in het artikel over Albert Cohens Solal. Het thema in de oudste tekst, uit 1983, is dat van de ‘Philosophe ambulant’ in Yourcenars L’oeuvre au noir. In ‘Tournier bricoleur: écrire Gilles & Jeanne’, ten slotte, wordt de blik vooral gericht op het ‘jeu savant avec des textes-sources’ dat deze auteur speelt.
Terminologie In de ‘Introduction’ geeft Smith kort aan in welk literair-theoretisch kader de artikelen moeten worden gelezen, en zet hij helder uiteen waarom hij koos voor de term réécriture, ‘herschrijving’: waar in de renaissance imitatio het meest geëigende woord is voor ‘creatieve navolging van literaire voorbeelden’, heeft dat in onze tijd een pejoratieve betekenis. Opmerkelijk is hier dat Smith zegt de termen hypertextualité en intertextualité niet te willen gebruiken, terwijl de laatste in de artikelen over Céline, Perec, Bon en Tournier wel degelijk een paar maal voorkomt.
Wanneer de lezer het boek dichtslaat is hij van imiter via se servir de, copier en rester très proche bij frôler le plagiat uitgekomen. Van imitatio tot plagiaat dus. Interessant is ook een greep uit de hiervoor gebruikte benamingen: analogies lexicales, assemblages, (auto-)bricolage, (auto-)réécriture, bricolages, collages, concordances lexicales, emprunts, oeuvre parasitaire en recyclage. Al dan niet verbloemd of eufemistisch gebruikt geven ze mooi weer waar het in Réécrire la Renaissance over gaat.
Pars pro toto Overigens veronderstelt Smith dat de lezer verbaasd zal zijn over het thema van het boek. De renaissance is over het algemeen stiefmoederlijk behandeld, ingeklemd als zij is tussen de middeleeuwen en het classicisme, terwijl Rabelais en Montaigne hun collega-auteurs overschaduwen. Terwijl het literaire lot schrijvers als Petrarca, Erasmus en Shakespeare in Frankrijk nog steeds gunstig gezind is, geldt dat niet voor hun Franse tijdgenoten. Om ze de plaats te geven die hun toekomt schreef Smith deze artikelen. Hij volgt daarbij zijn persoonlijke voorkeuren, en pretendeert niet een uitputtend overzicht te geven van het voortleven van de renaissance-schrijvers in het werk van hun twintigste-eeuwse collega’s. Ambitieuzer is hij in de gevolgde methode, die van de extrapolation metonymique: ‘c’est par l’analyse du détail que nous visons à comprendre le tout’.
In dat laatste slaagt Smith wonderwel: met steeds andere teksten en andere referenties als uitgangspunt dringt hij diep in het werk van zijn protagonisten door. Hij doet het werk voor de lezer, die hem geïntrigeerd volgt op zijn speurtocht door de teksten. Dat een enkele keer op grond van wat scherfjes een overeenkomst wordt gevonden (Proust, Céline) neemt deze voor lief; het archeologisch graafwerk is minstens zo spannend als de al dan niet toevallige vondsten. Kortom: de ‘microlecture’ van Smith levert op haar beurt fraaie en inspirerende lectuur op.
Herschrijving Het is goed dat deze verspreid verschenen artikelen in één boek bij elkaar zijn gezet — het leest een stuk plezieriger dan kopieën. Eén aantekening hierbij. Van de vier ‘nieuwe’ teksten zijn er twee wel degelijk ‘herschrijvingen’. ‘Tournier bricoleur: écrire Gilles & Jeanne’, geschreven samen met Nic. van Toorn, verscheen eerder al in Jan Bloemendal en Paul J. Smith ed., De muze en de mythe (2007) onder de titel ‘Tussen de regels van de geschiedschrijving: Gill & Jeanne van Michel Tournier’. Dat dit in de verantwoording niet is aangegeven heeft ongetwijfeld te maken met de tijd die verstreken is tussen het werk aan de bundel en de publicatie ervan. Van ‘Maniérismes de Ponge: Belleau - Montaigne - Malherbe’ berust een deel eveneens op eerder werk, zoals Smith in noot 3 aangeeft. Hij ‘herschrijft’ zichzelf. Of: een geval van auto-bricolage?
Maar voor de lezer van Réécrire la Renaissance maakt dat niet uit: hij zal in dit boek genoeg stof tot nadenken gevonden hebben. Ondergetekende gaat, om maar wat te noemen, enthousiast gemaakt door Smith, eindelijk Perecs La Vie mode d’emploi lezen, na een paar vergeefse pogingen daartoe. En dat is misschien wel het grootste compliment dat een schrijver kan krijgen: dat zijn boek je onherroepelijk leidt naar andere. [MB] [omhoog]
Update Op 25 januari 2010 verscheen een uitgebreide bespreking van Réécrire la Renaissance door Nicolas Kiès, ‘“Conférer” malgré la distance’, op fabula acta.
[7] Bespreking van Sebastian Brant, Het Narrenschip (pdf)

In 1494 publiceerde Sebastian Brant (1458-1421) Das Narrenschyff, misschien wel de eerste echte bestseller die de nog jonge boekdrukkunst voortbracht. De houtsneden die Dürer en anderen voor het boek maakten, ‘verbeeldden’ de zedepreken van Brant — want dat waren ze — , en droegen in niet geringe mate bij aan het succes ervan. In 2007 verscheen bij Uitgeverij Damon in twee delen zowel een facsimile van de eerste druk als een vertaling in het Nederlands. Klik voor een bespreking door Piet Offermans op Dürers portret van Brant. [omhoog]
[6] Pathologie, geld en muziek Over Alexander Waugh, De Wittgensteins. Geschiedenis van een excentrieke familie. Vertaald door Frits van der Waa. Amsterdam, De Bezige Bij, 2008, 416 blz., € 27,50
Een bijzonder aardig boek Alexander Waugh schreef een bijzonder aardig boek over een bijzonder onaardige familie. Een vreselijke familie. Een familie die bepaald niet voor het geluk geboren was en van de neuroses aan elkaar hing. De Wittgensteins waren over het algemeen lastige mensen, voor zichzelf, voor elkaar, en zeker ook voor anderen: dat is de belangrijkste indruk die achterblijft na lezing van dit boek. Als de protagonisten van deze familiegeschiedenis nu leefden, zou ik met een grote boog om ze heen lopen. Grote ego’s gepaard aan gebrekkige sociale vaardigheden: not my cup of tea. Nu hadden de broers en zusters Wittgenstein hun afkomst ook niet mee: hun wankele gemoedstoestand was een kwestie van zowel nature als nurture, en dan was er nog het geld, veel geld, dat vaak danig in de weg zat en hoe dan ook altijd strijd opleverde.
![wittgenstein musiksaal [uit besproken boek] wittgenstein musiksaal [uit besproken boek]](../assets/images/autogen/a_wittgenstein_musiksaal.jpg) |
Vader Karl (1847-1913) was een selfmade man, groot en steenrijk geworden in de staalsector. In 1874 trouwde hij met de drie jaar jongere Leopoldine Kallmus, die hem, zoals het cliché wil, acht kinderen schonk: Hermine, Hans, Kurt, Helene, Rudi, Gretl, Paul en Ludwig. Het huwelijk zou niet goed zijn, maar al helemaal in het begin (p. 20) staat een van de weinige liefdevolle passages in het hele boek. Karl moest een operatie ondergaan die fataal zou kunnen zijn:
‘[...] en de avond ervoor [...] trokken Karl en zijn vrouw Leopoldine zich terug in het somptueuze halfduister van hun Musiksaal. Hij pakte zijn viool, zij ging aan de piano zitten, en getweeën speelden ze een aantal van hun meest geliefde werken van Bach, Beethoven en Brahms door, in een lang, woordloos afscheid van elkaar.’
De opvoeding die de dominante vader en de kille, liefdeloze moeder — alles volgens Waugh — hun kinderen gaven droeg niet bij aan een ontwikkeling tot evenwichtige mensen. Genialiteit (van sommigen), depressies (daar hadden alle Wittgensteins patent op), en twee oorlogen maken het plaatje compleet.
De kinderen Wittgenstein (op een niet zo beste reproductie) ca. 1890
Alexander Waugh, zelf afkomstig uit een excentrieke familie, schetst in grove streken een beeld van Karl en Leopoldine Wittgenstein, maar vooral van hun nageslacht. Over drie van hen kan hij kort zijn: die pleegden zelfmoord en onderstrepen vooral het dramatische aspect van de familie én van dit boek. De dochters doen nauwelijks mee, behalve wanneer ze ziek, zwak en misselijk zijn, of ruzie maken over geld. Geen van hen komt er in de beschrijving van Waugh goed van af. Blijven over de — zeggen zij die het kunnen weten — misschien wel grootste filosoof van de twintigste eeuw, Ludwig Wittgenstein, en zijn oudere broer Paul, die dan ook de meeste aandacht krijgen. Maar eigenlijk is de echte hoofdpersoon van deze vlot geschreven kroniek van een ‘family at war’, zoals de oorspronkelijke ondertitel luidt, de in zijn tijd bejubelde (en soms verguisde) pianist Paul.
Eenarmige bandiet Voor Waugh, zelf componist, moet Paul (1887-1961) de aantrekkelijkste figuur in de familie zijn geweest. Alhoewel de Wittgensteins met muziek opgroeiden en allen een instrument bespeelden, was hij de enige die in de muziekgeschiedenis sporen heeft achtergelaten. Enthousiast laat de auteur ons kennismaken met het muzikale klimaat in Wenen, dat voor een deel ook door de soirées bij de Wittgensteins werd bepaald. Brahms, Mahler, Clara Schumann en Joseph Labor behoorden tot de gasten. ‘Wanneer er muziek gemaakt werd, waren ze [de kinderen Wittgenstein] op hun best: onbekommerd en zelfs amicaal’, schrijft Waugh. Dat de auteur deze bewering later weer onderuit haalt doet niets af aan het belang van de muziek voor deze familie.
Paul had er zijn zinnen op gezet uitvoerend musicus te worden, iets waar zijn vader zich lang tegen heeft verzet: muziek maken was mooi, maar dat deed je maar in je vrije tijd. Toen hij eindelijk toestemming kreeg zich als concertpianist te bewijzen, gooide de Eerste Wereldoorlog roet in het eten. Gewond geraakt in dienst van het Oostenrijkse leger werd Paul opgelapt, maar hij moest zijn rechterarm missen. Fascinerend is het verhaal dat volgt. Nadat hij door de Russen gevangen was genomen en in Siberië terechtkwam, gebruikte hij deze zware tijd om zichzelf te leren spelen met maar één arm, de linker. Na de oorlog slaagde hij er in opnieuw het podium te betreden. Zijn vermogen droeg daar niet weinig toe bij: voor forse bedragen liet hij componisten als Ravel en Strauss stukken voor één hand componeren. Ruzie kreeg hij overigens ook met hen, omdat hij nogal eigenzinnig met hun werk omging. Hij had er voor betaald, toch?
Waugh volgt Pauls leven, liefde en werken tot aan zijn dood in 1961, in Amerika. Voorzover ik weet is er niet eerder zoveel biografische informatie over Paul Wittgenstein bij elkaar gezet. John Barchilon schreef een op zijn leven gebaseerde historische roman, The Crown Prince (1984), maar die heb ik niet gelezen, en ‘waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’.
Pathologie en geld Paul is de hoofpersoon, maar pathologie en geld lopen als een rode draad door dit boek. Naast de al genoemde depressies, die alle gezinsleden teisterden, en hun onvermogen op een wat relaxte manier met elkaar en de buitenwereld om te gaan, valt het aantal zelfmoorden op. Niet alleen die van Rudi, Hans en Kurt, ook anderen in hun familie of naaste omgeving kozen voor de dood. Ik heb ze niet geteld, maar het moeten er zeker tien zijn geweest. En als het niet om een uitgevoerde zelfmoord ging, dan werd hij wel als chantagemiddel ingezet. De genialiteit van Paul en Ludwig, ‘de jongens’, grensde aan waanzin, en dat zij ‘gewoon’ door kanker aan hun eind kwamen wil niet zeggen dat ook zij niet vaak hebben gespeeld met de gedachte er een eind aan te maken. ■ Geld, ten slotte, heeft de Wittgensteins mede gemaakt tot wat ze waren: een excentrieke familie. Het slijk der aarde speelt dan ook een belangrijke rol in dit relaas, met als droevig hoogtepunt de — overigens wel spectaculaire — strijd om het familievermogen, toen de nazi’s dit graag naar hun bankrekening wilden overhevelen. Hier vooral duikt steeds de naam van Gretl op, die zich niet schaamde vuile handen te maken. — Dit is overigens de enige episode die wel wat minder uitgesponnen had mogen worden.
‘O ja’-momenten en Dahl-effect De Wittgensteins is een vlot geschreven (én vertaald) boek. Waarom Waugh er een familiekroniek van heeft gemaakt is me niet duidelijk. Misschien was het materiaal over Paul alleen te mager. Dat maakt voor het leesplezier echter niet uit: je legt het pas neer wanneer de laatste bladzijde is omgeslagen.
Een enkel punt van kritiek slechts. Wat het relaas hier en daar nodeloos onderbreekt is de grote hoeveelheid details waarin Waugh de lezer laat delen, details die voor een goed begrip van deze geschiedenis niet van belang zijn. Bezwaarlijker vind ik dat Waugh de chronologie aan zijn laars lapt, wat het knap lastig maakt de grote lijnen een beetje in het zicht te houden. Hij had soms ook wat minder stellig in zijn beweringen kunnen zijn, althans waar hij deze niet onderbouwt met een citaat (en bronvermelding). Zo zegt hij bijvoorbeeld dat alle Wittgensteins Geschlecht und Charakter van Otto Weiniger (zelfmoord op 23-jarige leeftijd!) hadden gelezen. O ja, denk ik dan, hoe weet je dat? Zulke ‘o ja?’-momenten komen nogal eens voor.
Maar deze impressie mag niet in mineur eindigen, want ik heb genoten van het boek. Waugh is, zeker waar hij zich een beetje inhoudt, een begenadigd verteller. Hij bedient zich soms van wat ik maar het Roald Dahl-effect noem: het venijn van het verhaal zit in de staart, en je bent er als lezer niet op voorbereid. Eén voorbeeld. In de paragraaf ‘De jongens’ heeft hij over de Staatsoberrealschule waar Ludwig lessen volgt; een groot deel van deze alinea bestaat uit een citaat (uit de latere aantekeningen) van een van zijn medescholieren. En dan: ‘Die leerling — hij was maar zes dagen ouder dan ‘Lucki’— heette Adolf Hitler.’ [MB] [omhoog]
[5] Waar gebeurd Over Atte Jongstra, Klinkende ikken. Bekentenissen van een zelfontwijker. Amsterdam, Arbeiderspers, 2008, 422 blz., € 25,-
Op de jonge leeftijd van 52 jaar schreef Atte Jongstra zijn autobiografie, verschenen in de prestigieuze reeks Privé-domein van de Arbeiderspers. Het is een verrukkelijk leesboek geworden, met de encyclopedische inslag die al zijn boeken kenmerkt, en die wel zijn handelsmerk, zijn handtekening genoemd mag worden. ‘Fictie met voetnoten’, noemt Jongstra het ergens in dit boek. Een regelrechte aanrader, ook al moet ik voor één ding waarschuwen: Klinkende ikken is niet dik genoeg. Het telt maar goed 400 bladzijden. Toen ik de laatste bladzijde omsloeg was dat met een nauwelijks onderdrukte snik. Had de uitgever zijn auteur maar tot meer bekentenissen gedwongen, gewoon: de knoet erover! Nu was dit feest te snel ten einde!
Wat er waar is in dit werk doet er niet echt toe. De schrijver fabuleert er — eveneens als in al zijn boeken — lustig op los, onderwijl Lucianus aanhalend: ‘dit is echt gebeurd’. Dat leverde hem in het geval-Fix niet louter vrienden op, zoals Jongstra in Klinkende ikken nog eens uit de doeken doet. Maar daarvóór vertelt hij heel keurig over zijn jeugd in het Friese Terwispel — wie nu nog niet Terwispel = Jongstra zegt is niet van deze wereld —, en schetst hij de teloorgang van zijn eerste huwelijk, in vaak bittere bewoordingen overigens. Van ‘zelfontwijken’ is hier bepaald geen sprake. Zelfs wanneer het over de cruise gaat die Jongstra maakte als lid van een eenkoppige Nederlandse schrijversdelegatie, sluipt ‘de ex’ op een minder aangename manier het relaas binnen. Deze boottocht moet voor Jongstra, afgemeten althans aan het aantal pagina’s dat hij eraan wijdt, redelijk belangrijk zijn geweest. Hilarische momenten en zoete verliefdheden wisselen elkaar af, maar vooral: hij kwám nog eens ergens. Jongstra is immers geen reiziger, en doolt daarom rond in zijn verzamelingen, in zijn boeken, in zijn kamer. Zegt hij zelf.
Tussen de bedrijven door worden nog wat rekeningen vereffend — waar is een autobiografie anders voor — maar ook ruzies bijgelegd. De schrijver bekent dat hij niet tot bewonderen in staat is (en spreekt zichzelf naar behoren tegen op andere plaatsen), maar één vrouw liefheeft boven alles (zéker), een moeizame verhouding heeft tot zijn collega’s (maar niet altijd), financieel vaak op een houtje moet bijten (soms niet), zelf zijn huis in Frankrijk opknapt (wáár), en nog zo wat. Montaigne is een steeds terugkerende gast in zijn bekentenissen, wat uiteraard zeer sympathiek is. Deze voorganger in het genre van de bekentenissen zal hij waarschijnlijk nog wel citeren uit een boek van papier. Veel lezen doet Jongstra namelijk niet meer, hij haalt tegenwoordig alles van internet.
Als deze bonte verzameling van herinneringen, weetjes, meningen, citaten en (ja heus) feiten al een formeel begin en eind heeft, dan heb ik die niet gezien. Maar dat doet er ook niet toe, je leest Atte Jongstra omdat hij je op andere gedachten brengt, nieuwsgierig maakt, je zelf aan het zoeken zet. Je gaat je eigen boek maken, ook al wordt het nooit geschreven, en Jongstra reikt daarvoor met zijn werken steeds weer de bouwstenen aan.
Ik weet nu ook alles wat ik van Jongstra over Jongstra mág weten. En ik ben er tevreden mee. Eén ding zit me echter nog dwars. Was de auto waarmee vader Jongstra zijn gezin op tochtjes door het nieuwe ruilverkavelingsgebied trakteerde nu een Opel Astra (flaptekst), een zwarte Opel Record uit 1956 (niet toevallig ook het geboortejaar van de schrijver) (p. 24), een vijfdeurs Opel Kadett (p. 68), of een Taunus 12M (id.)? Dit móét ik gewoon weten en ik kan het niet op internet opzoeken. ■ O ja, Atte, nóg iets: het mist alleen buiten, dat is een weersomstandigheid, weet je wel. Of nee, dat weet je niet, want je schrijft op p. 393: ‘Ik voel intussen iets anders. Melancholie, geloof ik. Iets wat schrijnend mist.’ [MB]
‘Wat betreft die auto's. Mijn vader reed achtereenvolgens in die '56-record, daarna taunus 12m (2x), daarna peugeot, daarna citroen gs, daarna weet ik t niet meer. Ik kan je verder nog melden dat mijn vader nooit in het bezit is geweest van een opel kadett, noch van dier opvolger de astra.’ [AJ]
Las vandaag (5 januari 2009) dat de Max Pam Award voor het beste boek van 2008 naar... Atte Jongstra gaat. De juryvoorzitter: ‘Jongstra is de literaire droogkomiek van het ogenblik, en op zijn manier lijkt hij misschien nog het meest op Gerard Reve.’ Het hele juryrapport is te lezen op maxpam.nl [MB]
[4] Bespreking tent.cat. Romeyn de Hooghe (pdf) [omhoog]
[3] Marginalia Signalement van Signs on the Edge. Space, Text and Margin in Medieval Manuscripts. Edited by Sarah Larratt Keefer and Rolf H. Bremmer Jr., Leuven, Uitgeverij Peeters, 2007, 3209 blz., € 62,-
Intro In 2007 verscheen bij Peeters in Leuven deel 10 in de serie Mediaevalia Groningana. Het betreft een selectie van bijdragen aan het International Congress on Medieval Studies (1993, 1994 en 1997), aangevuld met latere artikelen. Onderzoek naar de (ruimtelijke) positie, functie en interpretatie in middeleeuwse handschriften van wat met een alomvattend begrip marginalia wordt genoemd, is een nog nauwelijks ontgonnen terrein. De redacteuren van deze bundel schrijven in hun inleiding met deze publicatie tegemoet te komen aan een door velen gekoesterde wens, en daar kan ik me alles bij voorstellen: het is een fascinerend onderwerp. Wie is niet onder de indruk van de schitterende margeafbeeldingen, kunstig versierde letters, het prachtige beeldverhaal dat — soms onafhankelijk van de tekst — verteld wordt? Wie is niet nieuwsgierig naar de wordingsgeschiedenis van een manuscript, van de allereerste optekening tot een latere versie mét het commentaar dat een kopiist heeft toevoegd? Vaak immers worden deze aanvullingen door de volgende afschrijver weer overgenomen, waardoor oorspronkelijke tekst en marginale aantekeningen één geheel worden, onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Het onderwerp uit de titel komt tot leven in een soort schriftelijke archeologie, waar de verschillende bijdragen op uiteenlopende wijzen vorm aan geven, maar die steeds lezen als een spannende whodunit. Het is misschien maar goed dat de illustraties — in grijstinten — nauwelijks aanwezig zijn in Signs on the Edge: alle aandacht gaat zo naar de tekst.
Angelsaksische wereld Zes van de elf artikelen richten zich op de (met name vroegmiddeleeuwse) Angelsaksische wereld. Zo bespreekt Anne Dooley bijvoorbeeld de marge-illustraties in het negende-eeuwse Book of Kells, onderzoekt Catherine Karkov de manier waarop Eva is uitgebeeld in het Oudengelse gedicht ‘Genesis’, en beschouwt Phillip Pulsiano het zowel raadselachtige als grappige omgaan van kopiisten met de beschikbare margeruimtes in zijn ‘Jaunts, Jottings and Jetsam in Anglo-Saxon Manuscripts’. Onderstaande krabbels (‘New York, Pierpont Morgan Library, M. 776’) tekende Pulsiano zelf na (schoten de financiële middelen tekort?).
 |
In de overige bijdragen wordt behalve Ierland (zie hierna) ook het vasteland aangedaan. Rolf H. Bremmer bestudeert in ‘Footprints of Monastic Instruction: a Latin Psalter with Interverbal Old Frisian Glosses’ een in verschillende opzichten uniek handschrift: het gaat om een van de vroegste manuscripten die we uit het Noord-Westeuropese kustgebied kennen (vroeg dertiende-eeuws), de glossen zijn in het Oudfries, en vooral: zij zijn opgenomen niet in de marge noch tussen de regels, maar in de regels zelf. Dat ook textiel als manuscript gelezen kan worden is meteen duidelijk uit de titel van Gale Owen-Crockers bijdrage, ‘The Bayeux Tapestry: the Voice from the Border’.
Textual harassment In 1992 betoogde Michael Camille in zijn Image on the Edge: the Margins of the Medieval Art, dat visuele marginalia — het hele arsenaal van menselijke, dierlijke, plantaardige en andere wezens — niet louter decoratief zijn, maar een soort tweede tekst vormen die al dan niet verhuld commentaar levert op de hoofdtekst (p. 25). Nergens duidelijker wordt dit geïllustreerd dan in ‘Dangerous Siren or Abandoned Wife? Gloss versus Text on an early Irish Manuscript Page’ van Joanne Findon.
Folio 50 van een elfde-eeuwse versie van het Middelierse Serglige Con Culainn (The Wasting Sickness of Cú Chulainn) bevat een vierregelig gedicht dat in de bovenmarge is geplaatst. Niet alleen door de inhoud, maar juist ook door zijn fysieke plaats, zo weet de auteur overtuigend aan te tonen, wordt de lezer gedwongen Fand, een van de twee vrouwen die sprekend ten tonele worden gevoerd (!), te zien als de personificatie van het vrouwelijk kwaad. In de tekst zelf echter wordt Fand, de ‘Otherworld’-rivale van Cú Chulainns echtgenote Emer, geportretteerd als een vrouw die — na door haar man verlaten te zijn — verliefd is geworden op de held, en de strijd om zijn liefde aangaat met diens wettige echtgenote. Deze is de overwinning waardig, en Fand schikt zich met pijn in het hart:
‘O Emer, the man is yours and may you enjoy him, good woman: what [my] hand does not yet attain, it is necessary for me to desire.’
De kopiist die het kwatrijn heeft toegevoegd kon zich blijkbaar niet neerleggen bij deze voorstelling van een Otherworld-vrouw, en maakt van haar een karikatuur. Hij laat Mac Lonáin, die als een autoriteit werd gezien, als dichter en als kenner van de Otherworld, zeggen:
‘The desire of a war goddess [is] her fiery weapon [The] destruction of a thin body that Blood red the body under men’s bodies Eyes, head belonging to a female raven.’
Kortom, een kwestie van ‘textual harassment’ en ‘outrageous textual distortion’.
Luie kopiist Behalve Findons artikel is ook dat van Erik Kwakkel met vaart geschreven. In ‘Lost but Not Forgotten: References to a Remarkable Middle Dutch Legenda aurea Manuscript’, komt hij tot een gedeeltelijke reconstructie van een tot dusverre onbekend manuscript, en achterhaalt hij zelfs iets over de fysieke aspecten ervan. Omdat een luie kopiist geen zin had alles af te schrijven, verwees hij voor een aantal heiligenverhalen naar een eerder manuscript. Dat scheelde weer veel ‘scribble, scribble, scribble’, en Kwakkel dankt er zijn ontdekking aan.
Tot slot De bundel is zeer de moeite waard. Twee kanttekeningen slechts. Al opgemerkt is dat de illustraties niet in kleur zijn; dit heeft zéker te maken met de vaak hoge bedragen die de bezitters ervan (bibliotheken, archieven, musea) vragen, maar is voor een boek dat over marginalia gaat eigenlijk niet te verdedigen. Jammer is ook het ontbreken van een bibliografie waarin de in de noten genoemde literatuur bijeen is gebracht. Zo exuberant als Hout in boeken [zie 2] van dezelfde uitgever is, zo sober is deze uitgave. Signs on the Edge moet het zonder versiering doen. Gelukkig brengt de rijke inhoud het geheel weer in balans. [MB]
[2] Bespreking Hout in boeken (pdf) [omhoog]
[1] Lees maar niet, er staat toch niet wat er staat... door Piet Offermans
Je krijgt het verzoek: recenseer Pierre Bayard, Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen (Breda, De Geus, 2008; zie ook lezen of niet). Je slaat het boek open en leest: ‘Ik lees nooit een boek dat ik moet recenseren; je laat je zo gauw beïnvloeden’. Was getekend: Oscar Wilde. Een leuke klus.
Nou ben ik niet zo gauw met stomheid geslagen. In een vorig leven was ik leraar Nederlands in het voortgezet onderwijs. Dat was in een tijd dat de jeugd nog las, weliswaar met lange tanden, maar ze las, en dat vonden de onderwijsautoriteiten toen nog gewoon. Zo gewoon, dat verordonneerd was: scholier, bewijs dat je hebt gelezen. Dus moesten er literatuurlijsten geproduceerd worden die te pas en te onpas tijdens examens ter sprake kwamen. Met een dergelijk mes op de keel wil de scholier wel lezen. Maar dat was voor de meesten toch geen natuurlijke behoefte en dus was het belangrijkste leescriterium: dun. En als het kan sexy. De Nederlandse letterkunde heeft in dat genre wel het een en ander op de plank, maar dat geniet, uitzonderingen daargelaten, nou weer niet de voorkeur van de literatuurliefhebber die een Neerlandicus is (zou moeten zijn). En zo raakte ik herhaaldelijk verzeild in de situatie die Bayard beschrijft in hoofdstuk II ‘Met een leraar’ van zijn boekdeel ‘Gesprekssituaties’ (ik ben nu dus aan de recensie begonnen.)
‘Als docent’, aldus Bayard, ‘heb ik me eveneens vaker dan me lief was in de situatie bevonden dat ik, voor een groot publiek, boeken moest toelichten die ik niet gelezen had, hetzij letterlijk — omdat ik ze nooit opengeslagen had — hetzij minder strikt — omdat ik ze alleen maar vluchtig had doorgenomen of omdat ik me er niets meer van herinnerde.’ En even verder: ‘Mij viel in de loop der jaren op dat deze situatie de studenten geenszins in de war bracht, dat ze vaak relevante, ja zelfs zeer juiste dingen kunnen zeggen over boeken die ze niet gelezen hebben, waarbij ze putten uit informatie die ik hun, bedoeld of onbedoeld, zelf verstrekt heb.’ Dat laatste geluk is mij in mijn herinnering niet echt ten deel gevallen, maar ik herken mij overigens prima in het vriendelijke misverstand van deze pedagogisch-didactische situatie. Ik schrik me dus geen hoedje als een (belezen, maar daarover straks meer) literatuurdocent aan een universiteit lezers aanraadt boeken niet te lezen en er toch over te praten en hun ook nog de tools verstrekt om dat met zo min mogelijk gezichtsverlies te praktiseren. Quod licet Jovi, licet bovi. Maar.
Zelfs de meest tolerante cultuuroptimist kan niet om het feit heen dat het grote ontlezen is begonnen. Persoonlijk ben ik van mening dat lezen voor het grote publiek een onnatuurlijke bezigheid is, en altijd is geweest. Heel vroeger was dat geen punt: onderwijs was voor de elite en wie onder de elitaire jongeren geen zin in lezen had — de bijbel en ander leesgerief — leerde dat de meester naast kennis ook machtsmiddelen in zijn ransel meedroeg. Toen de toegang tot het onderwijs werd gedemocratiseerd werd het probleem van de leesonwilligheid almaar groter. Maar goed, inpraten op de jeugd had nog enig effect en bovenvermelde verplichte literatuurlijsten functioneerden als stok achter de deur — tot de gesel van de digitalisering het onderwijs bereikte en de student een heus alternatief bood voor het lezen van een boek.
Vele contemporaine wijsgeren zagen hun kans schoon en zwommen mee op de golven van de tijdgeest: het is arbitrair om boeken te prefereren als informatiebron. Digitaal verworven kennis is prima. Integrale informatie is overbodig. De her en der vergaring van kennis via internet, het hap snap bijeensprokkelen van gegevens werkt uitstekend en: sluit aan bij de leefwereld van de jeugd die de toekomst heeft, nietwaar! Lezen wordt stilaan kijken; de Koninklijke Bibliotheek van de toekomst heet You Tube. Arme docent die in dit progressieve geweld met de meelijwekkende boodschap komt dat het heel misschien toch eventueel zinvol zou zijn om eens een goed boek te lezen. De Neanderthaler. En nou deelt de universiteitsdocent Pierre Bayard de genadeslag uit met zijn pleidooi om boeken niet lezen, ze hooguit door te bladeren, er eventueel kennis van te nemen via horen zeggen en ze — als je dan toch gelezen hebt — rustig te vergeten (boekdeel ‘Manieren om niet te lezen’). Wat een cultuurbarbaar!
Zou je zeggen. Maar gelukkig, er staat niet wat er staat. Als Bayard de uiterste consequentie zou trekken uit zijn stelling dat je een boek niet hoeft te hebben gelezen om erover te praten, dan zou hij als volgt redeneren: je hoeft niet te lezen om over een boek te kunnen praten; nou goed, waarom zou je dan nog lezen; en ten slotte: als geen boeken leest, waarom zou je er dan nog over praten? Integendeel, zijn hele essay is een soort hemel waaruit de stralen van een enorme belezenheid en een ontembare lust om over de gelezen boeken te praten neerschieten op ons, argeloze herdertjes van Bethlehem. Bayard is geen boekenbeet. Bayard houdt geen pleidooi voor democratisering van de kennisvergaring in een post-boekentijdperk. Bayard speelt met het pseudoprobleem van de leesgekke intellectueel die nou eenmaal niet alles kan lezen wat er op de wereld gedrukt wordt, daaronder gebukt gaat en getroost moet worden. En dus formuleert hij in zijn voorwoord de doelstellingen van zijn essay: het (gedeeltelijk) wegnemen van schuldgevoelens van gefrustreerde lezers die de literatuurproductie niet kunnen bijbenen; het aanreiken van technieken om de onvermijdelijke leesleemten te verdoezelen; en vooral: een aanzet geven tot een diepgaande reflectie op aard en functie van het lezen. Bayard houdt geen pleidooi om met boeken lezen te stoppen; hij wil de mythologisering van het boeken lezen onder intellectuelen aan de kaak stellen.
Bayard heeft een interessante methode gekozen om zijn visie aan de man te brengen. Hij verdeelt haar in hapklare brokken die hij telkens toelicht met een analyse van een tekst uit de (wereld-)literatuur. Hij begint met vier manieren om niet te lezen: niet gekende boeken, doorgebladerde boeken, boeken die je kent van horen zeggen, en vergeten boeken. Vervolgens beschrijft hij vier gesprekssituaties die de onbelezen held uit deeltje 1 in verlegenheid kunnen brengen. Over (een) boek(en) praten in het openbaar (bijvoorbeeld voor een zaal). Met een student (de mij bekende situatie). Over een ongelezen boek praten waar de schrijver van dat boek bij aanwezig is. En ten slotte, zoals Bayard dat plechtig formuleert: ‘Met de geliefde’.
De titel van het laatste boekdeel spreekt voor zich: ‘Hoe je te gedragen’. Schaam je niet voor je onwetendheid, laat rustig je eigen ideeën doorklinken, besef dat jouw interpretatie van een boek belangrijker is dan de inhoud, en vooral: lezen is er voor de lezer, niet voor het boek. Om met Oscar Wilde te spreken: het lezen van een boek mag niet langer dan zes minuten duren, anders bestaat de kans dat je vergeet dat deze kennismaking in de eerste plaats een gelegenheid was om je autobiografie te schrijven.
De op zich creatieve besprekingsmethode van Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen is tegelijk de grootste zwakte van het essay. Want, met permissie, de betrokken stelling en de uitwerking in een analyse van een tekst hebben vaak bitter weinig met elkaar van doen. Een aardig voorbeeld hiervan is de uitwerking van de stelling dat je een boek niet zelf gelezen hoeft te hebben als je maar goed luistert naar wat anderen daarover te zeggen hebben in Bayards analyse van de plot in Umberto Eco’s De Naam van de Roos. De hoofdpersoon, William van Baskerville, lost het raadsel van de sterfgevallen in het middeleeuwse klooster op door eigen deducties. Het is inderdaad zo dat hij het boek dat de oorzaak is van de sterfgevallen niet zelf ter hand neemt, want dan zou hij ook vergiftigd worden. Maar het is niet de informatie van de monniken die het wel gelezen hebben, die hem verder brengt, want die kloosterlingen zijn dood. Hij dringt door tot de kern van het raadsel door kennisname van aanverwante literatuur en door zijn eigen conclusies.
Een ander voorbeeld van geringe betrokkenheid tussen stelling en uitwerking is het hilarische verhaal over Shakespeares Hamlet en de Tiv, een West-Afrikaans volk. De stelling is ‘dat het geenszins nodig is een boek opengeslagen te hebben om er een weloverwogen oordeel over te geven’. In de uitwerking begeeft de antropologe Laura Bohannan zich met Hamlet in de hand voor het front van de verzamelde stam om hun mening over het toneelstuk te vragen. En wat blijkt? De discussie bestaat volledig uit misverstanden. De Tiv vinden de lui in Hamlet maar rare gozers, want ze doen heel anders dan zij, als Tiv, gewend zijn, en zoals zij het doen, zo hoort het. Het tafereel is heel geestig beschreven en je ziet die achterover leunende wilden al pijprokend en bier drinkend steeds misprijzender het hoofd schudden: die gekke blanken toch! Maar het prachtige verhaal over de Tiv geeft geen millimeter bewijs voor de stelling. De Tiv geven geen weloverwogen oordeel over het toneelstuk Hamlet, maar een uiterst geborneerde mening over vreemde zeden.
Vooruit, nog een derde voorbeeld van een vergezochte relatie tussen stelling en uitwerking. Bayard stelt de vraag of ‘een boek dat je gelezen hebt en geheel vergeten bent, en waarvan je zelfs vergeten bent dat je het gelezen hebt, nog wel een boek is dat je gelezen hebt’. Deze vraagstelling kun je alleen interpreteren in het kader van het hoofdthema: is lezen zinvol of niet? Maar dan gaat de schrijver dit gegeven uitwerken aan de hand van Essais van Michel de Montaigne. Hij constateert dat Montaigne zelf zich zeer bewust was van zijn vergeetachtigheid — ‘Want ook al lees ik nogal wat, er zit geen bodem in dat vat.’ —, en dat hij nogal leed onder zijn vergeetachtigheid. Maar dan gaat het verder niet meer over de gestelde vraag, maar bespreekt hij hoe Montaigne de gevolgen van zijn gebrekkige geheugen te lijf gaat. Interessant, maar geen antwoord op de vraag.
Het is overigens niet zo dat stelling en uitwerking altijd slaan als een tang op een varken. Zo wordt de stelling dat het lezen van willekeurig welk boek tijdverspilling is en dat het aankomt op het overzien van het geheel, keurig geïllustreerd door de bibliothecaris in de roman De man zonder eigenschappen van Musil. Deze beheert een bibliotheek van miljoenen boeken, en legt een bezoeker desgevraagd uit dat hij natuurlijk geen enkel boek uit zijn collectie ooit gelezen heeft of zal lezen. Onbegonnen werk, en een hindernis voor het uitoefenen van zijn vak: het overzicht houden over zijn bibliotheek. Hij kent de titels en dat is het diepste inzicht in de cultuurschat die hij beheert.
Ook raak is de uitwerking van de stelling ‘dat het voldoende is een boek doorgebladerd te hebben om in staat te zijn er een heel artikel aan te wijden’. Bayard voert Paul Valéry ten tonele, een schrijver die er geen geheim van maakt weinig te lezen: ‘Ik had van meet af aan een hekel aan lezen en gaf mijn lievelingsboeken zelfs weg aan enkele vrienden.’ Die boeken moet Valéry in elk geval wel gelezen hebben want anders kunnen het zijn lievelingsboeken niet zijn. Maar hij heeft in de ogen van Bayard wel gelijk als hij de stelling poneert dat het absoluut overbodig is om Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust integraal gelezen te hebben om er een steekhoudend artikel over te publiceren. Bayard citeert Valéry met instemming: ‘Je kunt het boek openslaan op elke bladzijde die je wilt; de vitaliteit ervan hangt geenszins af van wat eraan vooraf is gegaan, maar van een soort geconsolideerde illusie; die houdt stand door wat je de eigen identiteit van de hele structuur van zijn tekst zou kunnen noemen.’
De bespreking van Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen is een rare excercitie, ik heb dat al gezegd. Maar het geven van een oordeel is helemaal een hachelijke onderneming. Want het kan maar zo gebeuren dat je een serieuze kwalificatie geeft over iets waar de schrijver alleen maar een spel van maakt. Dat Bayard uitdaagt, op het verkeerde been wil zetten, provoceert, lijkt mij duidelijk. Dat hij de de mythe van de onmetelijke belezenheid wil doorprikken eveneens. Maar zijn theorie is flinterdun en tegelijk soms zo gezocht, dat hij eerder een rookgordijn optrekt dan de zon laat doorbreken. Daarom is zijn essay vooral leuk en waardevol vanwege de analyses van de literaire teksten.
Mijn conclusie: ‘lees maar niet, er staat toch niet wat er staat’, moet geheel in de context van Bayards eigen theorieën worden gelezen. Anders gezegd: lees het maar wel, het is best grappig en bezit een mooi rood leeslint.
En of ik er van geleerd heb? In elk geval dit: voor de bespreking van Bayards Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen heb ik het boek eens doorgebladerd.
Prent (maker onbekend) uit Hollands Diep maart/april 2008, geplaatst bij een korte bespreking van Bayards boek. ‘Ik heb ’t in de kast staan... Héél goed boek. Nee.. nog niet gelezen.’
[omhoog, terug naar de lezende kip, naar entree of naar de sitemap]
|